Tegen beter weten in

Gereformeerden hebben zichzelf nooit kunnen zien als een geloofsrichting temidden van andere. Hun geloof was het enige ware. Een prachtig boek vertelt over de opkomst van een machtige `zuil', die door ontkenning en verdringing ten onder zou gaan.

Wat `gereformeerd' inhoudt verschilt van context tot context. Bij de Staatkundig Gereformeerde Partij is het heel wat anders dan bij het Gereformeerd Politiek Verbond, en Gereformeerde Gemeente – wat onaardig gezegd: de zwartekousenkerk – is weer heel wat anders dan de Gereformeerde Kerken in Nederland, die in levensstijl niet verschillen van andere Nederlanders, althans niet meer.

Hoe dat zo gekomen is, dat verloop van een soms bijna excentrieke godsvrucht naar een algemeen soort christelijkheid, daarvoor tekent Agnes Amelink, dochter van een gereformeerd predikant en journaliste bij Trouw, in De Gereformeerden. Het boek zou ook `Opkomst en ondergang van de Gereformeerde Kerken' in Nederland mogen heten. Je moet er namelijk gauw bij zijn, want de gereformeerden verdwijnen niet zozeer van de aardbodem door het Samen op Weg-proces (hervormden, gereformeerden en lutheranen in één hok), maar omdat `gereformeerd' als spirituele signatuur straks niet meer bestaat.

Laat ik meteen zeggen: het is een prachtig boek, waarin de wereld van de gereformeerden van binnenuit wordt belicht, met invoeling wordt beschreven en die ook nog informatief tot en met de cijfertjes toe uit de doeken wordt gedaan. Buitenstaanders die het boek lezen zullen soms hun ogen uitwrijven, gereformeerden en ex-gereformeerden zullen een traantje laten bij het zien van zoveel zekerheden die ze in zo korte tijd achter zich moesten laten, omdat ze niet meer waren vol te houden.

Wat maakte de wereld van de gereformeerden tot zo'n eigen kleur op het Nederlandse religieuze palet? Die vraag is meteen al fout, want geheel ongereformeerd: gereformeerden hebben zichzelf nooit opgevat, nooit kunnen opvatten als een soort geloof temidden van andere, maar als het enige ware geloof. Zo'n opvatting mag vandaag dan als een kras op een versleten grammofoonplaat klinken (zo'n 800.000 mensen hier weten nog wie of wat God is), vanaf het ontstaan van de gereformeerde wereld werd deze `waarheid' vanaf de kansels verkondigd. Want bij de kansels begint het, dat staat wel vast. Het onversneden woord van God moest worden heroverd op alle verwaterde prediking.

Zowel de Afscheiding van 1834 (de beweging van Hendrik de Cock) als de Doleantie van 1886 (met Abraham Kuyper aan het roer) zijn met die kanseloproep van start gegaan, en de samenvoeging van beide stromingen in 1892 (de Gereformeerde Kerken in Nederland) deed er niet voor onder. De auteur geeft ons inkijkjes in het geloofsleven dat aan de basis lag van deze beide bewegingen in stukjes dagboek, in kleine vraaggesprekjes met mensen die bereidwillig vertellen hoe het in het gereformeerde leven toeging (en soms nog toegaat), en ook door sommige families zelfs te volgen tot de dag van vandaag, het moment waarop de nazaten de gereformeerde wereld de rug toekeren.

Jongelingsvereniging

De gereformeerden: hoe kon een klein deel van het Nederlandse volk zo'n stempel op de samenleving drukken? Ze stichtten niet alleen een eigen kerkgenootschap, maar ook eigen scholen (de School met de bijbel), een eigen politieke partij (de Antirevolutionairen), een universiteit (de Vrije Universiteit als stichting van Abraham Kuyper), eigen jeugdverenigingen: jongelingsvereniging voor jongens (JV), meisjesverenigingen voor meisjes (MV), en knapenverenigingen — zo heette het echt — voor knapen, alles op GG (gereformeerde grondslag). Een weldoortimmerde organisatie is een niet te onderschatten element bij het beantwoorden van die vraag. Die heette later `een zuil', maar Amelink laat zien hoe vroeg de gereformeerden al over de basisvaardigheden beschikten om van een zuil een zuil te maken: alles hing immers met alles samen. Had Kuyper al niet gezegd dat er `geen duimbreed' op het ganse erf van het leven bestond waarvan Christus niet zei: `Mijn!'!

Wie gereformeerd was, was dus niet bij een algemene bond, stuurde zijn kinderen niet naar een openbare school, ging op zondag niet op reis, had zijn vrienden niet onder onkerkelijke mensen, las geen wereldse lectuur, kortom, hij had niets anders dan alleen gereformeerden om zich heen. En als je dan ook nog een gereformeerde in je hebt, wat blijft er dan anders over dan een gereformeerde wereld?

Je wist niet eens dat het een geloof was, het was de wereld zoals hij in elkaar zat, naar Gods woord, zoals de dominee zei. Wie serieus Gods woord predikt, zo haalt Amelink een hoogleraar-kanselredenaar uit 1952 aan, is immers de enige die met recht kan zeggen: zo is het!

Wat de zondagse kerkgang – twee keer per zondag, 's morgens `vrije stof' zoals het heette, een bijbeltekst als uitgangspunt, 's middags een zondagsafdeling uit de Heidelbergse Catechismus – aan de opvoeding van ongeletterde mensen heeft meegebracht kan men moeilijk onderschatten, aldus Amelink. `Kleine luyden' kregen eigenwaarde, doordat ze preken geacht werden te begrijpen; ze begonnen zelfstandig de bijbel te lezen, en van daaruit te denken. Natuurlijk niet verder te denken dan voormannen aangaven, want zodra dat wél gebeurde (dat `verder denken'), kwam er bonje. Dan werden het zogenaamde kwesties en die hebben de gereformeerde wereld begeleid tot op vandaag. De kwestie Netelenbos (ja, familie), Geelkerken, Schilder, Kuitert (zeker, twee keer zelfs), Den Heyer, en nu sla ik er ook nog een paar over: ze brachten en brengen de gereformeerden in rep en roer. Niet alleen hun kerkgenootschap (er kwamen kerkscheuringen uit voort), maar ook de christelijke maatschappelijke en politieke organisaties, waarvan de gereformeerden veelal de drijvende kracht waren, raakten er flink van in beroering. Zo is bijvoorbeeld het GVP vrucht van de kwestie Schilder, volgens wie de kerk van Jezus Christus in elke plaats maar één adres kan hebben. Ja, en als je dat dan zelf bent, dat adres, dan kun je natuurlijk niet in de politiek Christus ook nog op een ander adres vinden. Dus kwam er weer een nieuwe partij bij, waarvan alleen belijdende kerkleden lid mochten worden. En langzaam maar zeker zou ook daar water in de wijn worden gedaan.

Die totale greep op het leven, zo kenmerkend voor het leven vanuit gereformeerde principes, werd – zeker in de eerste helft van de vorige eeuw – in stand gehouden door `voormannen'. Gelovig volk heeft niet alleen voormannen nodig, het vertrouwt die voormannen ook. Hun macht was groot en op de toogdagen van de JV's en MV's waren ze gevierde sprekers die de jeugdige hoorders nog eens een keer, maar nu dan in bevattelijke taal, vertelden waarom `gereformeerd' hetzelfde was als `naar Gods woord'. Redevoeringen die elk jaar weer opnieuw gehouden konden worden, want `waar het altijd om gaat' is toch altijd hetzelfde? Het lijkt op indoctrinatie, en dat was het ook wel, maar dan op vrijwillige basis. Gelovigen wisten niet beter, en lieten zich trainen in het doen van hun woordje ter ondersteuning van het Woord. Nederland heeft er mensen als Den Uyl, Wolkers, Nuis, 't Hart aan overgehouden, allemaal `producten' van een gereformeerde opvoeding.

Kribbe

De klad is erin gekomen, en niet zo'n klein beetje ook. Waardoor? Een raadsel, dat niet makkelijk te ontsluieren valt als je Amelink leest. Als een gereformeerde die tamelijk ver van de oorspronkelijke kribbe naar voedsel zoekt discussieer ik wel eens met sommige vrienden over de vraag of we als gereformeerden voor de gek gehouden zijn. Amelink velt geen oordeel over het verleden, maar als je haar boek leest ontkom je niet aan die vraag. Niet in de subjectieve zin, willens en wetens voor de gek houden, althans dat kan ik moeilijk geloven, maar in feitelijke zin natuurlijk wel: de voormannen hebben zichzelf en hun achterban afgesloten voor informatie van niet-gereformeerde afkomst. Nu nog zijn er erudiete groepen in de zogenaamde gereformeerde gezindte die zich serieus over de vraag buigen of de wereld wèl of niet zesduizend jaar geleden is geschapen. Waar ligt trouwens de grens tussen opzettelijk en uit goede trouw de mensen van verkeerde informatie voorzien? Je kunt niet eindeloos doorgaan met afschermen, en tegelijk voor jezelf een schoon geweten overhouden. Glimpjes van beter weten duiken in de gereformeerde geschiedenis telkens weer op – Kuyper vond de evolutietheorie zo gek nog niet – maar ze zijn even snel ook weer weggedrukt, want als je alles vrij laat, dondert het hele leergebouw in elkaar.

Op dat punt zijn de gereformeerden nu aangekomen. Het gebouw is weg, de leer blijkt niet bestand tegen de tijd: te veel kunst- en vliegwerk, te veel autoriteit, te veel mensenwerk in plaats van Gods woord. En het gereformeerde kerkvolk? Ik kan niet anders dan met enige verbittering constateren dat een enorm potentieel aan goed opgeleide mannen en vrouwen, bereid om energie en denkkracht te steken in het veranderen van een ingedutte kerk, aan zijn lot is overgelaten door voormannen die niet wisten wat ze met hun dolende mensen aan moesten, niet eens meer wisten waar die zich bevonden. Jammer, een even onnodig als tragisch einde van een eens zo heftig van start gegane gereformeerde wereld.

Agnes Amelink:

De Gereformeerden.

Bert Bakker, 253 blz. ƒ39,50

    • H.M. Kuitert