Revisme

De minister van Staat trok zijn das recht en liet, zittend op de achterbank van de limousine, het Vlaamse land aan zich voorbij gaan. Nog onlangs was de minister van Staat teruggekeerd uit Argentinië, waar hij een lastig karwei had opgeknapt, maar dit keer had hij geen idee of hij zijn missie tot een goed einde kon brengen. Intussen draaide de limousine het erf op van een eenvoudige boerderij. Het portier werd door de chauffeur geopend en met onzekere tred liep de minister van Staat naar de boerderij. Hij belde aan. Het duurde even. Toen deed iemand open die de minister herkende als Joop.

,,Is mijnheer Reve thuis?''

,,En wie ben jij'', vroeg Joop wantrouwig door het luikje.

,,Max van der Stoel.''

Het bleef even stil.

,,Max van der Stoel, minister van Staat'', herhaalde de oude man.

,,Dat ken iedereen wel zeggen'', antwoordde Joop, maar toch opende hij de deur en ging de gast voor. Ze kwamen in een donkere huiskamer, waar Gerard Reve languit op de bank lag. De Grote Schrijver had zijn pantoffels aan en leek in een toestand van half-sluimer te verkeren. ,,Gerard, hier is ene Max van der Stoel. Hij beweert dat-ie minister van Staat is'', zei Joop. Ondragelijk langzaam kwam de Grote Schrijver overeind.

,,Ik ben hier'', zei de minister van Staat, ,,namens de gezamenlijke koningshuizen van Nederland en België en ook namens de gezamenlijke regeringen van Nederland en België, met een verzoek waarvoor ik u – alleen – zou willen spreken.''

,,Wel sodeju!'' riep Joop, ,,wat denken die gasten wel!'' De Grote Schrijver verhief echter zijn hand en knikte dwingend maar niet onvriendelijk met het hoofd, waarop Joop schoorvoetend de kamer verliet. De minister van Staat putte hieruit moed en hernam het woord: ,,Onze koningshuizen en onze regeringen erkennen uw uitzonderlijk schrijversschap, maar zij doen u het dringende verzoek uw levenspartner, de heer Joop Schafthuizen, thuis te laten bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren. Zij hebben namelijk de indruk dat de heer Schafthuizen in werkelijkheid een blok aan uw been is en dat hij eigenlijk alles voor u verpest. Niettemin zijn onze koningshuizen en onze regeringen bereid de afwezigheid van Joop te compenseren met een extra geldbedrag ineens, alsmede met vervangende verzorging voor de komende jaren – zowel op medisch als op emotioneel gebied. U zult niets tekortkomen.''

De minister pauzeerde even om de portee van zijn voorstel te laten inwerken. Toen richtte de Grote Schrijver zich op. Hij leek opvallend helder. ,,Mijnheer Van der Stoel'', zei Reve, ,,laat mij u iets uitleggen over de literatuur en over mijzelf. Literatuur heeft altijd twee kanten: een heldere en een duistere kant. Daarin verschilt de literatuur niet van het werkelijke leven. Er is cultuur en schoonheid en ontroering, maar er is ook het immorele, de decadentie en de martelkamers waar wij lieve jongens opsluiten en misbruiken. Wij mogen dansen en springen, maar er is ook het violet en de dood. Die twee componenten horen bij de literatuur, zoals zij horen bij elke grote kunst. Zij maken deel uit van alles wat de mens wil en gelooft.''

De Grote Schrijver zweeg. Nog nooit had hij zo lang gesproken zonder een grap te maken. Toen ging hij verder: ,,Meer dan 25 jaar woon ik nu met Joop samen. Dat is mijn eigen keus geweest. Niet Joop is de schuld van alle commotie, dat ben ik uiteindelijk zelf. Joop is de schuld nergens van. Zelfs als het waar is dat Joop slechts het duistere en het ordinaire vertegenwoordigt, dan nog kan ik alleen maar zeggen dat Joop een deel van mijzelf is geworden. Eigenlijk was hij dat al voordat ik hem kende. Dat is ook precies wat het Revisme inhoudt. Reve, dat is pas leven – men heeft dat nooit willen begrijpen. Het enige wat al die brave bewonderaars prachtig vonden was de formulering, de ironie, de geintjesmakerij. Men wilde het mooie weer, maar niet de duisternis. Nu vraagt men mij om Joop te verraden, maar dan zou ik het Revisme moeten verraden. Ik zou in feite alles moeten verraden wat ik geschreven heb.''

Uitgeput zakte Reve terug in de bank. Toen de minister van Staat uit enig gesnurk opmaakte dat de Grote Schrijver in slaap was gevallen, verliet hij beschaamd de kamer.

    • Max Pam