Opgesloten in potdichte kitsch

Vlinders die uit monden komen. Zweetdruppels die letters vormen. Het valt allemaal niet uit te sluiten in romans van Peter Verhelst, er gelden vreemde wetten daar, en als geoefend lezer kijk je nergens meer van op. Maar lees de eerste zinnen van Memoires van een luipaard en het duizelt je toch even: `Het is een van die nachten dat de lucht even zacht is als de buik van een kat. Je buigt je voorover en je legt de vingertoppen op die woorden. Van links naar rechts. Traag blijf je die zin strelen tot de pels begint te knetteren.'

Wat gebeurt hier? Uit de eerste zin begrijp je dat het nacht is, zoel en zomers. Maar die mededeling verandert door de tweede zin in, hoe zeg je dat, een zin, in de concrete vorm van een ding op papier dat je kunt aanraken. Dat ding blijkt vervolgens een vacht te dragen, als een dier, en zo ben je nog voor de laatste punt weer terug bij die buik van die kat uit de eerste zin. Ja sterker nog, die buik is plotseling geen beeldspraak meer, je voelt hem levend in je handen. Hij bestaat.

Het is een metamorfose die de verbijstering wekt van een Escher-prent. Om precies te zijn de prent van drie gebogen vlakken die een driehoek vormen. Het verloop van één naar twee naar drie volgt een onwerkelijke logica, het beeld in zijn geheel is zelfs volslagen onbestaanbaar, niet in één begrip te vatten, dus het kan niet dat je ziet wat je intussen wel degelijk ziet.

Het vreemde van deze Memoires is dat die verbijstering voor de verteller helemaal ontbreekt. Hij is een jongeman die sinds zijn kinderjaren als bezeten tekeningen maakt, van mensen en van dingen, op papier of domweg met een vinger op zijn dij, zodat zijn huid het beeld onthoudt. Hij doet de werkelijkheid als het ware over, transformeert die tot een beeldenwereld in zijn hoofd, en lijkt zich zelden af te vragen in hoeverre die nog met de wereld buiten hem te rijmen is. `Wat je ziet', zegt hij droogjes, `is wat je ogen ervan maken.'

Die laconieke vanzelfsprekendheid is wat je binnentrekt in zijn relaas. Je kijkt door zijn ogen, ziet van alles wat niet kan en toch gebeurt, en wordt voortdurend overvallen door de vragen waar hij aan voorbijgaat. Wat gebeurt hier `echt', als dat begrip nog te gebruiken valt, en wat `maken' zijn ogen ervan? Wat is dit voor een geest waarin je opgesloten zit?

Vanuit die zoele nacht waar hij mee opent keert de man, die tot het eind toe naamloos blijft, terug naar zijn kinderjaren, toen hij kennis maakte met een buurvrouw die ook een bezeten tekenaar was. Men zei dat ze uit de tropen kwam, haar man zou daar gestorven zijn, ze leefde van de erfenis. Ze had in elk geval iets droevigs, `het verdriet van de tropen', en daarin herkende hij voor het eerst een ander die zo'n uitgesproken eigen beeldenwereld had als hij.

Dat brengt hem vervolgens op de vrouwen die hij later leerde kennen, want in hen zocht hij onwillekeurig trekken terug van de mysterieuze buurvrouw. Een manier van doen, een vinger die een lok achter een oor legt. Hij kreeg een vriendin die aan dat beeld voldeed, ging met haar samenwonen, en begon ook haar te tekenen. Hij legde haar zelfs vast op video, met een camera die hij 's nachts op haar bed gericht hield.

Naar zijn zeggen moest dat dienen om ooit het `ultieme' beeld van haar te kunnen scheppen, maar het komt vooral van pas als hij na wederzijds overspel en aanverwante spanningen een eind aan de relatie maakt. Hij loopt de deur uit zonder een seconde van gemis of spijt, want al met al is er voor hem niet veel verloren. Hij heeft toch zijn beelden nog?

En eenmaal op dat punt gekomen gaat hij nog een stapje verder. Bij het zien van nachtelijke videobeelden waarop zijn vriendin in een onscherpe duisternis verdwijnt, dringt tot hem door dat haar afwezigheid haar gek genoeg aanweziger maakt dan ooit, want zijn herinneringen roepen haar verscherpt tot leven. Om tot dat ultieme beeld van haar te komen, anders gezegd, zal hij het origineel daarvan zo grondig mogelijk afwezig moeten maken. Liefst voorgoed.

Zo gezegd, zo gedaan, en daarmee kan er aan het slot geen misverstand meer over zijn hoe deze jongeman ervoor staat. Hij is een van de vele jonge helden uit Verhelsts romans die in zichzelf gevangen raken en daar ongeweten destructief van worden, tegen anderen ofwel tegen zichzelf. In eerder werk ligt de oorzaak daarvan meestal in een isolement dat voortkomt uit de roes van heftige fysieke sensaties, dit keer ligt het in een isolement van een verbeelding die zich van de werkelijkheid ontdoet.

Met al zijn metaforen en metamorfosen drijft Verhelst dat isolement tot het uiterste. Hij maakt ze overvloediger en bandelozer dan ooit, op het pompeuze af, ze glinsteren als diamanten, of ten minste toch als stras op de hemelse kroon van een niet al te hoog geprijsd Mariabeeld. Hij maakt er kortom kitsch van, die verleidelijke kunst die zich ontslagen acht van de beperkingen en eisen van de werkelijkheid.

Op cruciale punten doet hij zelfs niet meer de moeite voor de werkelijkheid begrijpelijk te blijven. Hij geeft het verhaal een kopregel mee die op de eerste pagina begint en tot de laatste doorloopt, een soort ademloze volzin waar je vijftig keer de bladzij voor moet omslaan, wat alleen al logistiek te veel gevraagd is. Hij laat het verhaal voorafgaan door de tekst ORFEO ED EURIDICE / Christoph Willibald von Gluck, met de suggestie dat die opera in zijn geheel als motto voor het boek moet worden gezien, wat na beluistering meer vragen biedt dan antwoorden. En dan is er nog de vraag waarom dit de memoires van een luipaard zijn, niet van een zee- of ander paard, of toch maar van een mens.

Die raadsels zijn, vermoed ik, welbewust. Maar het gevolg is dat niet meer alleen de held van de memoires maar ook de memoires als geheel getuigen van een potdichte verbeelding. Hoe je ook wordt meegesleept door de magie daarvan, de ongerijmde pracht, uiteindelijk sta je erbij en kijk je ernaar als naar het soort hermetische abstractie waar je in musea altijd zo vergeefs je best op doet. Memoires van een luipaard maakt daarmee de indruk van een eindpunt in Verhelsts ontwikkeling. Steeds dieper slijpt zijn werk het spoor uit van een destructief isolement, van boek tot boek, de uitkomst staat inmiddels al bij voorbaat vast. Dus waarom doorgaan op die weg? Tijd voor een terugtocht het hoofd uit en de wereld in.

Peter Verhelst:

Memoires van een luipaard. Prometheus, 103 blz. ƒ31,95