Mythes over ICT en globalisering

Just Capital. The Liberal Economy door Adair Turner. Uitgever: MacMillan, London 2001.

Veel mensen denken, hopen en/of vrezen dat globalisering en het gebruik van ICT een steeds grotere rol in onze economische ontwikkeling zullen spelen. Adair Turner, voormalig directeur-generaal van de Confederation of British Industries (CBI), en thans vice-voorzitter van Merrill Lynch Europe, denkt van niet. Hij is van oordeel dat men in het algemeen de invloed van beide factoren grotelijks overschat.

In zijn onlangs verschenen boek, Just Capital. The Liberal Economy merkt hij op dat zowel voor- als tegenstanders van globalisering van oordeel zijn dat globalisering de drijvende kracht vormt achter de verandering in het economische en sociale leven, zowel in de ontwikkelde als de ontwikkelingslanden. Maar volgens Turner is dat een mythe. Voor de grote economische blokken, de VS, Europa en Japan, is de externe handel met andere regio's over de afgelopen 25 jaar weliswaar in volume gegroeid, maar door de verlaging van de prijzen van de internationaal verhandelde goederen is het aandeel daarvan uitgedrukt als percentage van het bbp van de betrokken regio's ongeveer constant gebleven en voor de EU zelfs iets gedaald (thans zo'n 11 procent). In plaats van globalisering is er volgens Turner eerder sprake van lokalisering: de opkomst van de lokale diensteneconomie die gedurende de laatste decennia een veel grotere invloed op de economische structuur heeft gehad dan globalisering.

Naarmate de mensen welvarender worden, besteden zij een groter deel van hun inkomen aan diensten, zoals reizen, horeca, ontspanning, sport en gezondheidszorg, en minder aan fysieke goederen. Veel van deze dienstverlening is lokaal van aard. Zij is moeilijk te automatiseren en wordt gekenmerkt door direct menselijk contact. Met andere woorden, Turner ziet hierin een ontwikkeling van hightech naar high-touch.

Een andere mythe die door Turner wordt doorgeprikt is die van een steeds maar groeiende rol van ICT in de economie. Volgens de gangbare mening heeft ICT een nieuw economisch paradigma gecreëerd en is de informatierevolutie, met de kenniseconomie en internet als belangrijke elementen, van even grote betekenis als de industriële revolutie. ICT is overal in de economie inzetbaar en kan tot belangrijke productiviteitsverbetering leiden. Maar wat dát betreft is ICT niet uniek. De invoering van de elektriciteit is daarmee vergelijkbaar. Maar de snelheid waarmee de ICT zich ontwikkelt, is wél uniek in vergelijking met andere technologieën. En dit heeft verrassende consequenties voor het aandeel van de ICT-sector in de totale economie. Als vuistregel wordt aangenomen dat de prestaties van de hardware, zoals halfgeleiders en microprocessors, elke 18 maanden verdubbelen per prijseenheid. Anders gezegd, de kosten dalen elk anderhalf jaar met 50 procent. De marginale kosten van het gebruik van ICT zijn nagenoeg nihil. Wanneer software eenmaal is ontwikkeld, kost het bijvoorbeeld bijna niets om een extra softwareprogramma te plaatsen. En datzelfde geldt voor elektronisch kopiëren. Het gevolg is dat de omzet in de ICT-sector, uitgedrukt als percentage van het bbp, beperkt zal blijven.

Dat geldt ook voor de werkgelegenheid die binnen de ICT-sector wordt geschapen.ICT drukt ongetwijfeld een stempel op de economie in de vorm van productiviteitsverbetering alom. Maar ICT vernietigt daarmee in het algemeen meer banen dan dat zij schept. Zij creëert minder extra vraag naar goederen en diensten dan zij door productiviteitsverbeteringen doet verminderen. In de VS wordt bijvoorbeeld slechts 2,4 pct van de totale persoonlijke consumptie besteed aan goederen en diensten van de ICT-industrie.

De `nieuwe economie' is volgens Turner dus niet alleen hightech of kennisintensief. Het is een mengsel van hightech en high-touch, met banen die deels op kennis zijn gebaseerd, maar daarnaast ook de gewone banen die hoe dan ook vervuld dienen te worden. Bovendien is de `nieuwe economie' niet echt nieuw. Zij is eerder de resultante van trends die zich reeds jarenlang manifesteerden dan de uitkomst van een plotselinge revolutie.

Veel zogenaamde internetbedrijven zijn niet meer dan traditionele bedrijven waar orders niet via brief, telefoon of fax binnenkomen, maar via e-mail. Voor het overige houden zij zich met traditionele werkzaamheden bezig en zijn zij dus stevig geworteld in de `oude economie'.

Vooral bij de oudere generaties – de generatie waartoe de meeste beleidsmakers behoren – bestaat er onbekendheid met het computergebeuren en daardoor ook een zekere drempelvrees. Hoevelen van hen hopen niet stiekem dat deze beker aan hen voorbij zal gaan? Zij hebben een overdreven indruk van de kennis die nodig is om gebruik te maken van de elektronische snelweg. Maar de moeilijkheidsgraad daarvan moet niet overschat worden. Een ontwikkeld mens kan vaak in enkele uren de basisbeginselen van e-mailen, tekstverwerking, spread sheets en grafische programma's leren. Het is bijvoorbeeld veel eenvoudiger dan het breien van sokken of truien waarin onze grootmoeders vroeger excelleerden. En het is ook veel eenvoudiger dan kritisch lezen, rekenen of het opstellen van een heldere brief.

De dramatische val van de hightech Nasdaq van 5000 in april 2000 tot een dieptepunt van 1400 in september 2001, alsmede meer anekdotische indicaties van de moeilijkheden waarin vele ICT-bedrijven verkeren, lijken een bevestiging van Turners stelling op te leveren dat de betekenis van ICT is overschat. Dat heeft implicaties voor de wijze waarop het potentieel van de `nieuwe economie' dient te worden ingeschat en ook voor het beleid. Zo werd tijdens de EU-top in Lissabon – de dotcom-Top – van maart 2000 hoog opgegeven van het welvaarts- en banenscheppende potentieel van de kenniseconomie. Dat perspectief dient nu een tandje lager te worden gesteld.

Drs. H.H.J. Labohm is als gastonderzoeker verbonden aan het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael in Den Haag.