Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, was gul. Als er een ijscowagen door de straat kwam, hard rinkelend, kregen we altijd een dubbeltje van hem voor een ijsje. Misschien kwam het ook omdat hij zelf zin had in ijs.

Mijn moeder vond dat hij ons verwende. Iets extra's gaf zij alleen op zaterdag. En niet op een gewone maandag.

Hij deed ook altijd iets in een collectebus als er mensen aan de deur kwamen.

Meestal vroeg hij niet naar welk goed doel het ging, dat kon hem niet veel schelen. Hij vroeg wel altijd of ze het koud hadden en of ze wel wollen wanten droegen in de winter. En als de collectanten een rode neus hadden, vroeg hij of ze verkouden waren, of ze een krentenboterham met dik roomboter of een kol wilden, een snoepje met een amandel erin.

Een bekende kwam meestal aan de achterdeur. Elke vrijdagavond zagen we een verlegen jongen uit het dorp die de Goede Tijding, een krantje kwam brengen. Hij riep altijd `Busje, bùùùùsje', omdat hij een klein busje in zijn hand had. Mijn vader vond hem zielig en deed altijd iets in het busje. En stopte wat geld in de broekzak van de jongen.

Toen hij een keer net weg was, werd er aan de voordeur gebeld. Twee meisjes met een collectebus. ,,Waar is het voor dametjes?'', zei mijn vader. ,,Voor de weeskinderen meneer'', zeiden de meisjes.

Mijn vader graaide al in zijn vestzak, toen hij zich bedacht. ,,Maar ik ben ook een wees, hoe moet dat dan.'' De meisjes stonden met open monden naar hem te kijken. Ze zagen een oude, dikke, grote man staan. Hoe kon dat?

Mijn vader deed de deur open en riep naar ons. ,,Ze zijn geld voor mij aan het ophalen.''