Híer joggen,dáár picknicken

Aan de rand van Almere-Stad verschijnt binnen afzienbare tijd een `museumbos' van honderd bij honderd meter.

Zelfs toen het nog maar pas nieuw was, was het nieuwe land van Nederland niet vergelijkbaar met de woestijn. O ja, de wind ranselde de jonge klei tot aan de horizon, de zon scheurde haar in kilometerslange repen en de weg sneed er verdwaasd doorheen, maar toch riepen de leegte en verlatenheid van de Noordoostpolder en Flevoland nooit het gevoel op dat de reiziger overvalt in de woestijnen van Arizona en Australië. Dat gevoel, een mengeling van euforie en deemoed, ontzag en ontzetting, grandeur en nietigheid, ontbrak doordat eigenschappen het landschap domineerden die te dicht bij ons lagen om nederigheid af te dwingen: profijt en controle. Wie 's winters het zwart van de braakvelden en 's zomers de groengele mammoetmonochromen van aardappelloof en tarwe doorkruiste, zag uitersten van een dociele natuur, gehoorzamend aan een wet die iedere toevalligheid uitsluit, de wet van het maximale rendement.

Die wet is nu, bijna een halve eeuw later, toegepast op het hele Nederlandse landschap, middels een door de overheid aangestuurde planning, neergelegd in `ruimtelijke nota's'. Iedere vierkante kilometer grond kent daarbij een bestemmingsplan, waarbij op lokaal of nationaal niveau is vastgesteld wat woongebied en wat agrarisch gebied is of mag worden en wat gereserveerd blijft voor de vrije natuur.

Maar wat betekent `vrije natuur' nog in een dichtbevolkt land waar het hele landschap functioneel is ingericht? Wat is haar werkelijke plaats binnen een algemene planning die steeds meer op stedelijke ontwikkeling is ingesteld? De architectuurcriticus Hans Ibelings laat er in het informatieve, door hem samengestelde boek Het kunstmatig landschap, hedendaagse architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur in Nederland geen twijfel over bestaan: onze vrije natuur is een fabel. Niet zonder ironie beschrijft hij met hoeveel ijver in Nederland tunnels en viaducten voor het overstekend wild worden aangelegd, op verscheidene plaatsen land aan het water wordt teruggegeven om verdwenen landschapstypen opnieuw te laten ontstaan en lang verdwenen diersoorten weer worden uitgezet en bewust aan hun lot overgelaten. `Het is dezelfde ijver,' noteert hij, `waarmee voor junks gedoogzones worden ingericht, voor prostituees tippelstroken met afwerkplaatsen aangelegd en voor jongeren hangplekken ontworpen.' Natuur is bij ons een `geïnstitutionaliseerde vrijplaats, een luxe die een land waarin ruimtelijk alles op orde is, zich kan permitteren.'

Het is al vaker beschreven hoezeer onze perceptie van de natuur verweven is met ons beeld van onszelf en bijgevolg met het sociale en culturele leven. Het meesterlijke boek Landscape and memory van Simon Schama bijvoorbeeld (verschenen in 1995) schetst uitvoerig hoe fundamenteel de behoefte van de mens is om de natuur naar zijn hand te zetten of aan te passen aan zijn verbeelding. Maar de lijn natuur-gedoogzone is bij mijn weten nog niet eerder getrokken. Er gaat iets sinisters vanuit, alsof de natuur onderdeel geworden is van een door sociaal werkers, ambtenaren en zakelijke penose opgesteld `sociaal programma', goed voor de reguliere ontlading van opgekropte lust en sociaal onbehagen.

Zo erg is het natuurlijk niet, maar hoe weinig gebieden er nog zijn waarop niet een of andere regeling drukt en hoe moeilijk het mensen valt om hieraan te ontkomen, illustreerde de documentaire Zijkanaal B vorige week nog op tv. De film toonde, met een nauwelijks verhulde weemoed, een nog net niet door de overheid gereguleerd stukje watergebied waar mensen op zelfgebouwde woonboten een vrije, soms asociale levensstijl voeren. Die levensstijl dreigt hen samen met hun ligplaats ontnomen te worden. Het vrije leven in de vrije natuur is gepermitteerd, leek de filmer te willen zeggen, zolang het maar gecontroleerd, gedesinfecteerd en gesocialiseerd is.

Vluchten kan niet meer: overal waar de verstedelijking (vijftig procent van de wereldbevolking leeft al in steden tegen tien procent een eeuw geleden) en het toerisme toeslaan, drukken woonconglomeraten, wegennetten, campings en afvalbakken hun stempel op het landschap. Nederland is daarbij koploper, ook als het gaat om nostalgisch vooruitblikken. Hier bedenken ontwerpers dat het wel eens `apart' zou kunnen zijn om onverharde wegen tussen de boerderettes aan te leggen, bij wijze van authenieke sfeer. Zo `helpen' wij het landschap om weer rustiek te worden. Op onze voorwaarden.

De noodzaak van die ontwikkelingshulp is pas goed begrepen toen Almere ontstond, volgend jaar een kwart eeuw geleden. Wilde de nieuwe stad middenin het nieuw gewonnen land aantrekkelijk zijn voor de op vertier ingestelde randstedelingen, dan moest worden nagedacht over stedenbouw, architectuur, landschap en `wat de mensen willen'. Er moest anders gezegd van een nondescripte omgeving iets worden gemaakt dat velen aansprak en tóch eigentijds was. Is toen het begrip `ontwikkelingsscenario' bedacht? In ieder geval heeft het, zo het al bestond, in Flevoland z'n volle portee kunnen ontplooien want nergens op de wereld is en wordt er zo druk mee geëxperimenteerd als hier.

Ontwikkelingsscenario's hebben hun nut, al was het alleen al omdat ze ons in staat stellen te overzien wat wel en wat niet werkt. Waar ze ontbreken, zoals in de nieuwe stedelijke gebieden van China, zie je een skyline van architecturale misbaksels, een leefomgeving waarin kantoorgebouwen van de ene dag op de andere in ziekenhuizen of parkeergarages veranderen en een door botsende zakelijke en agrarische belangen zwaar verknipte landschappelijke omgeving. In Almere daarentegen wordt gepland volgens scenario's die erop gericht zijn stad en omgeving zo te ordenen dat uiteindelijk een min of meer integraal beeld ontstaat, een beeld waaraan je de stad herkent, zoals je Amsterdam herkent, of Rotterdam en Delft.

Het beeld dat de architecten, sociologen, planologen, verkeerskundigen en andere deskundologen in 1971 nastreefden toen ze Almere schetsten, berustte op een stad die uit meerdere kernen met laagbouwwoningen bestond, met daartussen veel groen, een soort Gooi, maar dan `voor de gewone man' (een concept dat ondertussen naar boven is bijgesteld: voor kapitaalkrachtigen is een schitterend bos- en watergebied gereserveerd, het Overgooi). Met dat oogmerk werden honderden hectaren grond met bomen en groen beplant waarin de bewoners naar hartelust konden recreëren, want daar ging het om: wonen en recreëren in één royale beweging. Een stedelijk arcadië: daarop zouden de krap behuisde randstedelingen afkomen als nachtvlinders op het licht.

De stad telt nu bijna 160.000 inwoners die verspreid wonen in de verschillend geaarde woonkernen Almere-Haven, Almere-Stad en Almere-Buiten en voor Almere-Poort, Hout en Overgooi liggen de plannen klaar. Het beoogde inwonerstal van 170.000 voor 2005 zal dan ook wel gehaald worden. Maar wat nergens is te vinden is het bepalende Beeld van Almere, of het moet het beeld zijn van een tot suburbia uitgegroeid winkelcentrum, een geënsceneerd voorstedelijk gebied waarin wonen, recreëren en consumeren de standaardmotieven zijn.

Dat kan natuurlijk niet zo blijven en dus worden listen bedacht. Wat heeft Almere? Ruimte en bos. Wat heeft Almere niet? Een levendig cultureel klimaat, en juist dit blijkt een stad `een smoel' te geven. Kijk naar het Duitse Wolfsburg. Een dooie, rondom de Volkswagenfabriek gebouwde werkstad, maar sinds het Kunstmuseum er staat, is het zelfs voor Berlijners een attractie. En Bilbao, wie had er ooit van Bilbao gehoord vóór Frank Gehry er op fenomenale wijze een museum voor ontwierp? Nu is het een toeristische trekpleister van de eerste orde. Almere is niet de enige gezichtsloze stad die zich in wanhoop tot Gehry heeft gewend voor nóg zo'n wonder.

Vooralsnog wordt er gebouwd voor de drie W's: Wonen, Werken, Winkelen. De culturele input zal dus van iets anders moeten komen. Waarom niet van dat overvloedige bos? bedachten vijf jaar geleden de ontwerpers Titia Frieling en Els Scholtes. Ze richtten de stichting Bosland op en stelden zich ten doel het Cirkelbos, nu nog de periferie van Almere-Stad maar binnen afzienbare tijd deel van de stedelijke omgeving, te doorrijgen met kunstpaviljoens, ateliers, ontmoetingsplekken, kwekerijen, een dierentuin, een theehuis en een `museumbos'. Al die ingrediënten moeten van het Cirkelbos `het levende gezicht van de vrije stadscultuur' maken.

Zo staat het althans omschreven in de catalogus die is verschenen bij de tentoonstelling die stichting Bosland nu rond het idee van het Museumbos heeft georganiseerd. Over wat die `vrije stadscultuur' inhoudt zwijgt de auteur wijselijk. Je hoeft immers maar een uur in Almere te zijn om te weten dat dit net zo'n frase is als `vrije natuur'. Zoals `vrij' in de bossen neerkomt op geënsceneerde wildgroei, zo betekent `vrij' in deze modelstad geënsceneerd vertier.

Het Museumbos laat het één in het ander overlopen, met een kwaliteitskeurmerk er bovenop. Museum staat immers gelijk aan kunst. Een bos dat als kunstwerk geldt is een belevenis van het soort dat `de beleveniseconomie' propageert: een hoogwaardige attractie voor iedereen.

Het Museumbos telt tien `museumzalen', tien percelen van elk een hectare, ontworpen door mensen die gereageerd hebben op de prijsvraag die in juni van dit jaar is uitgeschreven. De prijsvraag was openbaar en de 111 zelfgemaakte maquettes die zijn ingezonden zijn anoniem door een jury beoordeeld, zodat in principe iedereen winnaar kon zijn. De opdracht luidde een bos te ontwerpen van honderd bij honderd meter `waarbij het begrip bos zo persoonlijk en eigenzinnig mogelijk' moest worden opgevat. Van groot belang was daarnaast dat het ontwerp uitvoerbaar en duurzaam was, want het moet zich in het Cirkelbos wel lange tijd staande houden.

Een wandeling langs de 111 maquettes die in een openbare zaal van het stadhuis staan opgesteld (je kunt er shoppend in het centrum van Almere Stad even aanwippen) onthult dat vrijwel alle deelnemers uitgaan van een kneedbaar landschap, een landschap anders gezegd dat aangepast kan worden aan onze wensen als was het een kamer in ons huis. Of een zaal in een museum. Niemand heeft de `eigenzinnigheid' die de opdracht stelt opgevat als iets wat op het bosperceel zelf slaat. De ontwerper ervan is eigenzinnig, zo eigenzinnig als een kunstenaar.

Een flink aantal inzenders heeft zich aan dat model gespiegeld en zalen als kleurige schilderijen uitgedacht. Eén ontwerp heet zelfs Het Schilderij der Seizoenen. Het mooiste ontwerp in dit genre is wat mij betreft Het Lichtend Rode Bos, een van de tien uitverkoren ontwerpen. Het is helemaal opgebouwd uit roodbladige boom-, heg- en struiksoorten waaronder een tapijt ligt van beukenblaadjes. Samen omhullen ze als een dikke, rood geschakeerde vacht een met spiegels bekleed paviljoentje dat het wisselende rood en het zonlicht in een vlammende mix weerkaatst.

Niet minder artistiek, maar eigentijdser is MDCCCLXXXII. Geen levende boom kruist in dit bos ons pad. Wel kunnen we via vijftig videoschermen van ongelijke grootte staren naar vijftig bomen elders op de wereld. Vijftig luidsprekers zorgen ervoor dat het verre ruisen van hun bladeren eveneens naar Almere wordt overgeheveld. Dit bos wordt niet uitgevoerd, net zomin als Het Geasfalteerde Paradijs, een hectare grote plak zwart asfalt waarop in het midden in wit `Het geasfalteerde paradijs' geschreven staat. Misschien vond de jury deze ontwerpen te artificieel en karakterloos en daarom te dicht staan bij het stedelijke landschap.

Dat willen we niet. De natuur mag in stukken gehakt, aan banden gelegd, opgedirkt, vergiftigd en verkracht worden, ze moet wel enigszins als natuur te beleven blijven. Dat wil zeggen dat wij er deep down nog altijd iets van onszelf in willen herkennen, al was het maar onze verloren onschuld, de cycli van leven en dood die ons leven markeren, het bevrijdende zelfverlies en desnoods onze wreedheid. Wat zou het oude utopische ideaal dat onze samenleving koestert en waar Almere als maakbare stad op gebaseerd is, het ideaal van een gelukkige, veilige en schone wereld, betekenen zonder natuur? Waar zou de homo ludens, de spelende mens die daarbij hoort, dan met zijn surfplanken, speedboten, caravans, mountainbikes en crossauto's heen moeten?

Terug naar de natuur dus, zelfs als die niet meer is dan een buitenkooi. De inzending die de tweede prijs heeft gekregen, In Eenzaamheid, heeft daar veel van weg. Het is een eenvoudig ontwerp: een door een hoge heg omheind stuk bos dat je via een 19de-eeuws gietijzeren hek betreedt. Alleen, want, schrijft de inzender, Birthe Leemeijer, `ik zie mijn bos als een gebied waar het recht op eenzaamheid en de erkenning van dat verlangen beschermd wordt. Een bos om aan te denken als je in de file staat.' De eenzame wandelaar draait daarom vóór hij aan zijn natuurmeditatie begint het hek achter zich op slot.

Ach, wat zouden we nog graag als Caspar David Friedrich over een machtig, ongerept landschap uitkijken! Een landschap dat vrij is van ontwikkelingsscenario's en diep als onze ziel. Maar we moeten het steeds meer met recreatieve landschappen doen, gebieden die als themaparken onze activiteiten dirigeren: híer joggen, dáár picknicken. En soms, zoals Tempo, de eerste prijs-`zaal' van het Museumbos, is het nog belerend ook. `In de Flevopolder is alles gericht op snelheid en groei', schrijven de winnaars Boto van der Meulen en Hans Reitsma, maar met hun bos `wordt bewust een vertragingsstrategie ingezet'. Deze houdt in dat op een rastervormig veld, belegd met tegels waarop de jaartallen van de komende eeuw staan, jaarlijks op de plaats van een tegel één lindeboom wordt geplant door een kind uit Almere tijdens boomplantdag. Wanneer het veld vol is, wordt de eerste, honderd jaar oude boom gekapt om plaats te maken voor een jonge linde, waarna de op een na oudste het jaar daarop gekapt wordt, etc.

En zo kwam het 125 jaar oude Almere via een vertragingsstrategie aan zijn hoogst eigen Bijltjesdag.

111 Ontwerpen voor het Museumbos, Stadhuis Almere. Tot 15 december. De VPRO wijdt zondag een hele avond aan Almere: Paradijs in de polder. Ned. 3, 20.53 uur tot 23.25 uur.

Almere moest het Gooi voor de gewone man worden

    • Anna Tilroe