Het aannemelijke verleden

De vierdelige reeks `Nederlandse cultuur in Europese context' is een imposante historische reeks geworden. Het afsluitende deel moest de beloofde rekenschap geven. Voor de historici blijft causaliteit het grote probleem.

De periode rond 1900 wordt in Nederland vaak gezien als `de Tweede Gouden Eeuw'. Hernieuwde bloei van kunst, wetenschap en economie deed de nationale ineenzakking van de periode na 1700 weer vergeten. Niet voor niets heeft het vorig jaar verschenen deel over 1900 van de vierdelige serie Nederlandse cultuur in Europese context de ondertitel Hoogtij van burgerlijke cultuur.

Maar de roem van deze periode is betrekkelijk, merkt de kunsthistoricus Carel Blotkamp op in 1650-2000 Rekenschap, de bundel die de imposante serie moet afsluiten. In het buitenland wordt die term Tweede Gouden eeuw nooit gebruikt. `De realiteit is dat [in de kunsten] de roem van Nederland nog steeds overwegend wordt bepaald door de schilderkunst van de zeventiende eeuw.' Vrijwel ieder museum van naam in het buitenland bezit zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderijen, maar de negentiende- en twintigste-eeuwse kunst zijn zwak vertegenwoordigd.

Het zijn vooral losse observaties als deze, bij Blotkamp overigens ingebed in een interessante analyse van de opbouw van Nederlandse museumcollecties, die Rekenschap de moeite waard maken. Cees Schuyt bijvoorbeeld slaagt er zelfs in om `tolerantie' zó te omschrijven dat hij een verband kan leggen tussen Erasmus' ideeën, de zeventiende-eeuwse praktijk en de huidige vrije samenleving. Hij doet dat met het tot nadenken stemmende idee dat tolerantie weinig te maken heeft met een positieve opstelling tegenover andersdenkenden. Tolerantie betekent dat je een kwaad tolereert vanuit een positie van macht omdat bestrijding ervan een nog groter kwaad oplevert. Kan het Nederlandser? Sarah Blom beschrijft hoe in de negentiende en vroege twintigste eeuw in het onderwijs het verlichtingsideaal van algemene culturele vorming wegkwijnde. En Reinier Salverda schetst het schizofrene effect dat het kolonialisme had op de Nederlandse cultuur: de verlichte geest van Grotius staat er lijnrecht tegenover de bruutheid van Jan Pietersz Coen – en beiden zijn klassieke Nederlandse helden.

De keerzijde van deze lof is dat dit laatste deel van de door de wetenschapsorganisatie NWO geïnitieerde serie Nederlandse Cultuur in Europese context tekortschiet in een meer systematische aanpak van de periode 1650-2000. Vooral verrassend is de geringe evaluatie van wat de voorgaande vier dikke delen hebben opgeleverd, die tien kilo papier verdeeld over 2.529 bladzijden. Want is de ontmaskering van het idee van de Tweede Gouden Eeuw in strijd met opmerkingen in het deel over 1900? De lezer blijft met een groot vraagteken achter. Zijn dit nu stilzwijgende verbeteringen van eerdere behandelingen in de serie? Of zijn het eenvoudigweg nuttige en leuke aanvullingen? Terugbladeren door tweeënhalfduizend bladzijden (zonder zakenregister!) houdt niemand lang vol. Flagrante tegenstellingen met beweringen in eerdere delen ben ik in ieder geval niet tegenkomen. Het gaat dus vooral om aanvullingen.

Maar Rekenschap is indertijd wel aangekondigd als terugblik op de eerdere ijkpunten. En zelfs in de eerste alinea van hun inleiding vragen de redacteuren van dit afsluitende deel zich nog netjes af: `Zijn de auteurs van de voorgaande delen erin geslaagd een evenwichtig beeld te schetsen van het culturele leven in Nederland?' Een antwoord krijgt de lezer niet, ook niet verderop in de nogal warrige inleiding. Die bevat hooguit nog wat losse opmerkingen over `toevallige ontwikkelingen' in de cultuurgeschiedenis, waarvoor geen rationele verklaring kan worden gevonden. Maar toeval kan toch ook een rationele verklaring zijn? Als rechtvaardiging om verder maar niet te praten over de verklaringen en hypotheses in de eerdere boeken is dit niet erg overtuigend.

Historia docet

Niettemin wordt de lezer in de inleiding op montere wijze voorgehouden dat de redacteuren `menen dat van de geschiedenis kan worden geleerd.' Dat belooft wat, maar het enige argument voor deze stelling is: `De discussie over politiek beleid wordt immers gevoerd in termen die aan het verre of nabije verleden zijn ontleend.' Dus als je maar historische termen gebruikt, heb je geleerd van het verleden? Aan het onder historici gevoerde debat over de kwestie of `historia docet' is dat wel een erg magere bijdrage. Het is begrijpelijk dat redacteuren die dit soort slappe inleidingen schrijven, hun medewerkers niet hebben kunnen dwingen zich expliciet op de eerdere delen te richten.

Het nagenoeg ontbreken van een terugblik op de eerdere delen is des te spijtiger omdat Nederlandse Cultuur in Europese Context een uniek multidisciplinair project was, zowel in de hoeveelheid overheidsgeld als in de opzet van het onderzoeksprogramma. In de eerdere delen werd een tijdsbeeld gegeven rondom telkens één jaartal: 1650. Bevochten eendracht, 1800. Blauwdrukken voor een samenleving, 1900. Hoogtij van burgerlijke cultuur en 1950. Welvaart in zwart-wit. Deze intense beschouwing van een nationale geschiedenis in een viertal jaartallen (meestal de decennia eromheen) is uniek. Een kritische afsluiting had, net als Deel 14 van Lou de Jongs serie over het Koninkrijk in de Tweede Wereldoorlog, een fraaie klap op de vuurpijl kunnen zijn. Des te meer omdat deze cultuurgeschiedenis van Nederland begin jaren negentig door NWO is opgezet om geesteswetenschappelijke productie nu eens als collectieve inspanning aan te pakken. De `natuurwetenschappelijke' organisatie werd geïmiteerd: hak het onderwerp in duidelijke stukken (vier belangrijke jaartallen), laat losse teams van promovendi openliggende details uitzoeken en breng het geheel weer tot een krachtige synthese. In de praktijk bleek echter dat de meeste promoties amper pasten in de vier ijkpuntenboeken, die de zogenoemde synthese-auteurs gingen schrijven. Er zaten uitstekende studies bij, maar meer dan een paar alinea's in de dikke delen leverden ze meestal niet op. Geesteswetenschappelijk werk laat zich kennelijk moeilijk vooruit plannen.

Het grootste effect van de collectieve inspanning was waarschijnlijk nog dat de traditionele eenzaamheid van de monografieschrijver doorbroken is. Ieder deel moest door twéé auteurs worden geschreven, telkens een historicus en een niet-historicus (drie literatuurwetenschappers en een socioloog). Bovendien is er relatief vaak overlegd in `klankbordgroepen' en begeleidingscommissies – al wordt daar in de boeken weinig naar verwezen. Veel centrale sturing kan daar niet vanuit gegaan zijn, want tussen de vier auteursduo's bestaan grote verschillen in aanpak. Zo kozen Jan Bank en Maarten van Buren kozen in 1900 voor een sterk beschrijvende aanpak: naar veel achterliggende theoretische gedachten mocht de lezer raden. Cees Schuyt en Ed Taverne kozen daarentegen in 1950 juist duidelijk voor betoog à these. Bij Bank en Van Buren leverde dat een uitstekend leesbaar boek op vol onverwachte portretten van de kerkbouw en van de schrijver Hildebrand. Maar het betoog van Schuyt en Taverne over de Amerikaanse invloed in de jaren vijftig en de relatief geringe veranderingen in de jaren zestig was intellectueel interessanter.

Veel op elkaars betoog verder bouwen deden de auteurs ook al niet, op losse opmerkingen over thema's als discussie- en overlegcultuur na. De definitie van cultuur die Willem Frijhoff in het eerste deel formuleerde: `een proces van zingeving waarbij dingen en handelingen meervoudige betekenissen krijgen boven hun enge nuttigheidswaarde uit', leidde nauwelijks tot navolging – maar misschien was die definitie ook wel weer veel te breed.

Maar al met al waren de eerdere boeken toch de moeite waard. Wie alle vier delen las, heeft meegedeind op de historische golven over Nederland. Extreem kort samengevat: in 1650 is de Nederlandse cultuur krachtig en dynamisch, de wankele Republiek is een onverwachte militaire grote mogendheid geworden, waarbij de interne tegenstellingen in bedwang worden gehouden door een levendige discussiecultuur. Vervolgens, in de aanloopperiode naar 1800, stuit de vernieuwingsdrift van een nieuw ontstane Nederlandse intellectuele klasse (`de publieke opinie') op de grenzen van een in essentie nog middeleeuwse staatscultuur. In de Bataafse Republiek (1795-1806) moet dan alles anders gaan, maar helaas, er is geen geld en er is vrijwel geen ervaring.

Nobelprijzen

Rond 1900 is Nederland dan weer wèl op orde: de Nobelprijzen stromen binnen en de industrialisatie is eindelijk op gang. En tot slot: vanaf ongeveer 1950 wordt onder Amerikaanse invloed het moderniseringsproces belangrijk versneld. In feite behoren deze centrale thema's van de vier delen tot de gewone geschiedenis, het cultuurhistorische gehalte van de folianten kwam vooral tot uiting in de aparte hoofdstukken gewijd aan onderwijs, religie, beeldende kunst, literatuur, filosofie en wetenschap.

Wat voegt het slotdeel met zijn veertien artikelen daaraan toe? Als gezegd: de individuele artikelen zijn vaak aardig tot goed. De ene auteur (Emile Wennekes) geeft in Rekenschap een keurig overzicht van de Nederlandse muziekgeschiedenis (er is waarschijnlijk altijd veel in huiselijke kring gemusiceerd). Een ander (Willem van den Berg) vertelt een interessant verhaal over de literatuur en de leesgewoonten in de afgelopen drieëneenhalve eeuw (de echte leesrevolutie vond plaats na 1850 dankzij beter onderwijs en goedkopere boeken). Dat zijn aardige aanvullingen, maar de pretentie van de titel Rekenschap wordt niet waargemaakt.

Is dan héél Gallië bezet door de soldaten van Caesar? Nee, één wetenschapper heeft moedig weerstand geboden aan de geschiedwetenschappelijke verbrokkeling. In het laatste artikel van de bundel vat socioloog Wout Ultee de koe wèl bij de horens. Hij bespreekt de wijze waarop algemene kwesties als de relatie tussen welvaart en tolerantie en de cohesie van de Nederlandse samenleving in de eerdere delen aan de orde zijn gekomen. Bravo! Ultee, een streng methodoloog die de polemiek niet schuwt en graag hamert op heldere vraagstellingen, moet zich handenwrijvend aan zijn taak hebben gezet. Aan het begin van zijn beschouwing waarschuwt hij al dat hij zich gesterkt voelt door een opmerking van Johan Huizinga `dat de geschiedwetenschap lijdt aan het euvel van een onvoldoende formulering van de vragen'.

Op vileine wijze tilt Ultee een aantal krakkemikkige redeneringen uit het betoog van de diverse boeken. Zo viel hem op dat Joost Kloek en Wijnand Mijnhardt (1800) in feite beweren dat de uitvinding van de brievenroman `bijdroeg aan de verspreiding van deugden als het aangaan van een huwelijk, echtelijke trouw, huiselijke vrede en het liefdevol opvoeden van kinderen'. Zo geformuleerd geeft Ultee een parodie van de redeneringen van Mijnhardt en Kloek (die weinig meer doen dan de brievenroman inpassen in een meer algemene trend naar `moreel burgerschap'). Maar juist in deze onderkoelde spot treft de socioloog wèl een eeuwig, gevoelig punt in de geschiedschrijving: causaliteit blijft een groot probleem.

Op de vuist

Is bijvoorbeeld de discussiecultuur nu een gevolg van de grote tolerantie in de republiek of juist de oorzaak? Of is het een andere manier om hetzelfde beschrijven? En waarom gingen de verschillende geloven eigenlijk niet met elkaar op de vuist? Wederom geeft Ultee een parodie op het betoog uit een eerder deel, ditmaal 1650, van Willem Frijhoff en Marijke Spies. Volgens Ultee beweren Frijhoff en Spies dat een deel van de verklaring ligt in de regel dat de Staten-Generaal bij gewichtige kwesties eenstemmig beslissen en met hun leden ruggespraak houden. `De dwang die hiervan uitging bewerkstelligde een hang naar eensgezindheid in andere organen en leidde tot een discussiecultuur in het dagelijks leven.' In werkelijkheid laten Frijhoff en Spies de tolerantie en grote bereidheid tot overleg in de Republiek voortkomen uit een `onmiskenbaar inzicht in het belang, ja de noodzaak van een zekere vorm van eenheid' in tijden van oorlog – een subtielere redenering dan de direct oorzakelijke lijn tussen de stemverhoudingen in de Staten Generaal en de discussiecultuur zoals Ultee die suggereert.

Zijn neiging tot parodie is soms hinderlijk, maar zijn drang om de wortels van de historische redeneringen bloot te leggen kan niet hoog genoeg geprezen worden. Hadden alle auteurs van Rekenschap maar zo'n drang gehad. Want zoals Ultee aan het slot van zijn essay schrijft: in bijna iedere factor die als verklaring voor een historisch verschijnsel wordt opgevoerd steekt wel wat, `maar waar is de theorie die voorzegt dat de ene factor grotere gevolgen heeft dan de andere?' En dan nog, als er al ooit zo'n theorie zou zijn, ook Ultee weet: `voor zulke nauwkeurige vragen zijn nooit genoeg bronnen over'. Oftewel: wat is dan nog de wetenschappelijke waarde van geschiedschrijving? Hoe betrouwbaar zijn de grote lijnen?

Tolstoj

Zowel in stijl als in doelstelling is de Russische romanschrijver Leo Tolstoj ver verwijderd van de popperiaanse socioloog Wout Ultee uit Nijmegen, maar Ultees verwijten aan de historici doen niettemin sterk denken aan sommige passages in de tweede epiloog van Oorlog en Vrede, waarin Tolstoj de spot drijft met de gevestigde geschiedwetenschap van zijn tijd. De visie van de historici op de oorzaken van de Franse Revolutie parodieert hij als volgt: `Lodewijk de Veertiende was een arrogante en zelfverzekerde man die Frankrijk slecht regeerde. Zijn opvolgers waren zwak en regeerden Frankrijk ook slecht. In dezelfde tijd schreven sommigen mensen een paar boeken. Aan het einde van de achttiende eeuw begon een dozijn mensen in Parijs erover te praten dat alle mensen vrij en gelijk waren. Dit leidde ertoe dat mensen in heel Frankrijk op elkaar begonnen in te hakken en elkaar te verdrinken. Ze doodden de koning en heel veel andere mensen.' Een goed alternatief biedt Tolstoj overigens niet voor dit soort historische standaardredeneringen, waarbij een groot aantal factoren en ontwikkelingen in één betoog wordt samengebracht, in de hoop dat zo de loop van de geschiedenis aannemelijk en begrijpelijk wordt. Tolstojs eigen vage ideeën over de volksgeest en de rol van morele onverzettelijkheid leidden wel tot ademloos mooie romans, maar bij mijn weten niet tot interessante geschiedschrijving.

Het centrale probleem is dat historici geen logici zijn: ze bouwen een algemeen betoog op losse feiten, en dat algemene verhaal wordt meer door de retorische aannemelijkheid ervan bij elkaar gehouden dan door een dwingende redenering. Want er is altijd wel een uitzondering of een zóveelste factor die moet worden meegewogen in het betoog. Volgens Ultee aanvaarden of verwerpen historici vaak stellingen aan de hand van enkele gevallen, en dat zou me niet verbazen. In de wetenschappen bestaat een spectrum van bewijsbaarheid, met een sterk cultureel bepaald vak als kunstgeschiedenis aan de ene extreem en een min of meer objectieve discipline als wiskunde aan de andere. Geschiedenis ligt daarin vrij dicht bij kunstgeschiedenis. Op zijn best zijn de betogen `aannemelijk'. Bewijsbaar zijn ze niet. Het waarheidsgehalte van geschiedschrijving ligt vrij dicht bij die van het `gewone' wereldbeeld en de dagelijkse huis- tuin en keukenredeneringen: hopelijk goed doordacht maar zelden `waar' in logische of natuurwetenschappelijke zin.

Het lijkt ook onwaarschijnlijk dat Ultees strenge eisen aan onderzoeksvragen en methodieken ooit zullen leiden tot een werkelijk causaal verantwoorde geschiedschrijving. In zijn eigen betoog in Rekenschap over de verhouding tussen welvaart en tolerantie komt Ultee ook niet veel verder dan een paar voor de hand liggen trivialiteiten, zoals dat in een land de sociale wetten worden uitgebreid als het land wordt geregeerd door activistische politici en als tevens de technologie voortschrijdt.

Het is dan ook erg jammer dat Ultees polemiek onweersproken blijft in Rekenschap. Want een antwoord op zijn prikkelende essay door iemand als Schuyt of Frijhoff zou misschien toch nog hebben kunnen leiden tot een werkelijk waardevolle evaluatie van een majeur Nederlands geschiedenisproject.

De eerdere titels uit de reeks Nederlandse cultuur in Europese context waren:

Willem Frijhoff en Marijke Spies: 1650. Bevochten eendracht. Sdu, 704 blz. ƒ75,– (besproken in Boeken, 11.02.00)

Joost Kloek en Wijnand Mijnhardt: 1800. Blauwdrukken voor een samenleving. Sdu, 616 blz. ƒ99,17 (besproken in Boeken, 01.06.01)

Jan Bank en Maarten van Buuren: 1900. Hoogtij van burgerlijke cultuur. Sdu, 624 blz. ƒ95,– (besproken in Boeken, 11.08.2000)

Kees Schuyt en Ed Taverne: 1950. Welvaart in zwart-wit. Sdu, 574 blz. ƒ95,– (besproken in Boeken, 17.11.00)

Douwe Fokkema en Frans Grijzenhout (red.) Rekenschap, 1650–2000.Sdu, 404 blz. f 99,17

    • Hendrik Spiering