Een verloren paradijs

Het Noord-Hollandse dorp Bergen, geklemd tegen de duinen en vlak aan zee liggend, heet `bezield' te zijn. Het zijn de woorden van dichter Adriaan Roland Holst, die hiermee treffend het dorp van schrijvers, dichters en ook kunstschilders typeerde.

Er is ook een andere benadering van het dorp mogelijk, voortreffelijk uitgedrukt door wat Willem van Toorn schreef in: Er moeten nogal wat halve-garen wonen (1995). Tussen `bezieling' en `het halvegare' bewegen de inwoners van Bergen zich. Onlangs verscheen een boek met herinneringen, verhalen en beschouwingen over Bergen, getiteld Hier scheen 't geluk bereikbaar. De samenstellers beschouwen het als een aanvulling op dat van Van Toorn, die de bezieldheid in een grotere historische context plaatst. In Hier scheen... ligt de maatstaf bij dichters en schrijvers die daadwerkelijk in Bergen woonden; een passant als J.C. Bloem, die er weleens een optrekje huurde, ontbreekt. En toch schreef hij de mooiste regels, waarvan er één de boektitel aanleverde: `Hier scheen de macht van 't onheil te vergaan,/ Eén ogenblik. Hier scheen 't geluk bereikbaar.'

De verschillende auteurs die een bijdrage leverden aan Hier scheen... kozen voor uiteenlopende benaderingen. In de mooiste verhalen wordt de band tussen schrijver en Bergen strak aangehaald, zonder wazig te worden. Voorbeeldig zijn de beschouwingen van Lineke Frerichs over Herman Gorter en A.L. Sötemann over Gerrit Kouwenaar. De auteurs bereiken hierin een wat gewaagd genre waarin essayistiek en persoonlijke belangstelling fraai samengaan, bovendien verbinden ze een literaire interpretatie met topografie. Niet terughoudend schrijven, maar ferm en verzekerd. Gorter toog naar Bergen om zich los te maken uit zijn huwelijk en om zich, heel schielijk, te kunnen wijden aan een veel jongere geliefde. En hoe hermetisch het werk van Kouwenaar misschien ook is, Sötemann weet zijn dichtwerk prachtig te verbinden met Bergen als `het verloren paradijs'.

De meeste bijdragen zijn ernstig van toon, alsof het dorp en de kunstenaars daarin heiligen zijn. Zonder dat een scribent het zo noemt, blijkt `heimwee naar eertijds' een onderliggend motief. Het verhaal van Mischa de Vreede over haar eerste ontmoeting met Lucebert zit vol waardevolle details. Hoogtepunt is de bijdrage van Elly de Waard over haar ontmoeting met Chris van Geel en haar vertrek uit Amsterdam naar Noord-Holland. Het is met elan en precisie geschreven, bovendien blijkt eruit dat De Waard in het geheel niet terughoudend is Van Geels werk, en later ook het hare, autobiogafisch te duiden. Dat is verfrissend en moedig. Elly de Waard, die Chris van Geel in 1962 ontmoette (zij was toen tweeëntwintig jaar), is al duizenden keren gevraagd naar haar verhouding met Chris van Geel en toch weet ze in de openingszin te verrassen en een beeld op te roepen dat als metafoor kan gelden voor de bereikbaarheid van geluk: `Via een slingerend bospaadje bereikte je het huis. Het groene, houten tuinhekje aan de Achterweg in Groet was achter je dichtgeklapt en links en rechts strekten zich grote stukken bosgrond uit. (...) Tegen het duin op werden de bomen lager en kronkeliger. Sluipeiken noemde Chris ze. De wind uit de polder, zei hij, hield ze laag.'

Marianne van Gils, Sjoerd Kuyper en Michael Valenton (red.):

Hier scheen 't geluk bereikbaar. Schrijvers over Bergen.

Conserve, 215 blz. ƒ34,95

    • Kester Freriks