Een jeugd tussen atomen en mineralen

Er is geen boek van de Engelse neuroloog Oliver Sacks waarin hij niet zelf een (hoofd)rol speelt. Zo beschreef hij ooit zijn ervaringen als patiënt genezend van een ernstige beenwond. Bekendheid bij het grote publiek kreeg hij echter door zijn beschrijvingen van neurologische case histories en vooral met het verfilmde boek Awakenings, waarin hij pogingen doet om een groep patiënten met een slaapziekte te genezen. In al die boeken leren we hem kennen als een arts met een geweldig invoelingsvermogen, die veel begrip en sympathie aan de dag legt voor zijn patiënten of gesprekspartners. Toch laat hij elke keer verrassend weinig van zichzelf zien.

Met het recent verschenen Uncle Tungsten, dat zijn jeugdjaren in het Engeland van rond de Tweede Wereldoorlog beschrijft, lijkt hij nu een begin te hebben gemaakt met het schrijven van een autobiografie. Lijkt, want ook in dit van enthousiasme overlopende boek, heeft hij weer erg veel oog voor alles en iedereen om hem heen, maar slaat hij meestal snel de deur dicht als hij merkt dat de lezer hem te na komt. Desondanks is het waarschijnlijk zijn meest openhartige boek geworden.

Sacks wordt in 1933 geboren in Londen als jongste van vier broers in een welvarende en ontwikkelde familie `in een huis vol muziek en boeken'. Zijn beide ouders zijn arts en drie kinderen zullen dat voorbeeld volgen. Wanneer de oorlog uitbreekt vinden zijn ouders het voor hun jongste twee kinderen in Londen niet veilig en daarom besluiten ze hen onder te brengen op een kostschool op Engelse platteland. De vier jaren die Sacks daar doorbrengt zullen het verloop van zijn jeugd bepalen: nog afgezien van de voortdurende mishandelingen door een valse en sadistische hoofdonderwijzer heeft hij het gevoel dat zijn ouders hem in de steek hebben gelaten: `Wat kon ik in die omstandigheden anders doen dan een eigen plek te zoeken, een schuilplaats waar ik alleen kon zijn, me kon verliezen zonder dat anderen zich met me bemoeiden, en waar ik een gevoel van evenwicht en warmte kon vinden?' Dat psychologische houvast in een wereld in chaos vindt hij aanvankelijk in de wereld van de getallen, en later ook in het bestuderen van bloemen en planten.

Broers en zussen van zijn moeder – uit een gezin van achttien kinderen – zijn hem hierbij behulpzaam. Stuk voor stuk hebben ze van hun Russische vader – schoenmaker, Hebreeuwse geleerde, mysticus, amateur-wiskundige, maar boven alles uitvinder – een grote wetenschappelijke belangstelling geërfd. Voor de jonge Oliver fungeren zij als een soort wandelende bibliotheek, bij wie hij met zijn vragen over de wiskunde, botanie, mineralogie, scheikunde of natuurkunde terecht kan.

Die ongeremde nieuwsgierigheid is zijn redding geweest. Dat wordt duidelijk uit de lotgevallen van zijn vijf jaar oudere broer Michael. Ook voor hem is het verblijf op de kostschool een verschrikking. Hij is anders dan de anderen, dromerig, in zichzelf gekeerd, en waar Oliver na zijn verblijf op Braefield in 1943 terugkeert naar zijn ouders in Londen, wacht Michael de volgende kostschool, waar hij opnieuw mikpunt wordt van mishandelingen. Al snel raakt hij volledig psychotisch, krijgt hij messiaanse fantasieën, slaapt hij niet meer maar beent hij geagiteerd het huis door, stampvoetend en hallucinerend. Sacks schrikt, omdat hij soortgelijke gedachten en gevoelens bij zichzelf herkent.

Gloeilampen

Rond die tijd richt Oliver in een leeg washok een eigen laboratorium in. Hij sluit zijn ogen en oren voor de waanzin van Michael en gaat volledig op in de scheikunde: `Ik begreep half wat hij doormaakte, maar moest ook afstand bewaren, mijn eigen wereld scheppen uit de neutraliteit en schoonheid van de natuur om niet te worden meegesleept in de chaos, de waanzin, de verleiding van de zijne.' Het is vooral Oom Dave, een fabrikant van gloeilampen, die hem terzijde staat en inwijdt in de geheimen van de metalen en chemische verbindingen, waar hij zelf veel mee experimenteert. Omdat wolfraam het `ideale metaal' is voor het maken van gloeidraden zal Sacks zijn meest geliefde oom daarna nooit anders noemen dan `oom wolfraam'.

Hij heeft het geluk dat allerlei vaak giftige of explosieve chemicaliën zo bij de drogist of een speciale groothandel te krijgen zijn. Zo kan hij volledig zijn chemische nieuwsgierigheid bevredigen, al moet hij een paar keer door het oog van de naald zijn gekropen, toen hij bijvoorbeeld onbedoeld het uiterst giftige fosfine maakte. Maar ook allerlei radioactieve verbindingen en mineralen waren vrij verkrijgbaar, terwijl ook de röntgenapparatuur van een van zijn ooms lang niet zou voldoen aan de tegenwoordige veiligheidseisen.

Terwijl hij in zijn laboratorium geen enkele angst lijkt te kennen, stelt het dagelijks leven hem voor veel meer problemen: hij is bang voor paarden, voor allerlei ziektes die hij in de boeken van zijn ouders aantreft, en bang om over te steken of om op de voegen tussen de stoeptegels te stappen. Ook valt hij al heel snel van zijn geloof, hoewel hij geniet van de tradities tijdens de joodse feestdagen: `Een gevoel van weemoed was vermengd met een ziedend atheïsme, een soort woede op God dat hij niet bestond, de oorlog niet voorkwam'. De zionistische bijeenkomsten met hun verhitte debatten die zijn ouders tegen hun zin thuis organiseren, intensiveren de diepe haat bij Sacks tegen alles wat met religie en politiek te maken heeft. Ook hiertegen zoekt hij bescherming in de `kalme rationaliteit van de wetenschap'.

Het hoogtepunt is de ontdekking in een wetenschapsmuseum in South Kensington van het Periodiek Systeem der Elementen, de tabel waarin alle atomen volgens simpele regels gerangschikt zijn. Hij kan een paar dagen niet slapen van opwinding als hij nadenkt over de bijna bovenmenselijke prestatie van de Rus Mendelejev die het chaotische universum van de chemie binnen een alomvattende orde heeft gebracht. Met verdubbelde overgave trekt hij zich vanaf dat moment terug in diens `betoverde tuin'. Maar dan is het opeens voorbij. Na vier jaar lang volledig geboeid te zijn geweest door de schoonheid en regelmaat in de natuur, komt die hem plotseling als leeg en droog voor. Bijna van de ene dag op de andere hunkert hij naar méér, naar het menselijke, het persoonlijke.

Die ommezwaai valt samen met zijn ontdekking van de radioactiviteit. Waar vroeger de elementen voor hem stabiele bakens waren, die nooit hun identiteit verloren, blijken ze opeens onderhevig aan transformaties van de meest ongelofelijke soort. Ook de ontwikkeling van de quantummechanica en het besef dat ook de scheikunde daarmee veel abstracter gaat worden, maken hem duidelijk dat hij de tuin van Mendelejev moet verlaten. Hij houdt van de scheikunde van de negentiende eeuw, wil de kleuren zien van de vanadiumzouten, de afschuwelijke stank van waterstofselenide ruiken, de symmetrie van een kristal bewonderen. Ook al zal hij zich vanaf dat moment niet meer actief met de natuurwetenschappen bezig houden, de passie heeft hem nooit verlaten. Op Wim Kayzers vraag wat hij als eerste zou doen als hij honderd jaar na zijn dood weer terug mocht komen op aarde, antwoordde hij: ,,De nieuwste Scientific American kopen, om te weten wat er allemaal is ontdekt.'

Proustiaans

Als een van zijn vrienden hem in 1997 pakje stuurt met een poster van het Periodiek Systeem valt daar een klein staafje grijsachtig metaal uit. Aan het typische geluid waarmee het de grond treft, herkent Sacks het direct als het wolfraam uit zijn jeugd. Het fungeert als een soort Proustiaans memento en brengt hem ertoe zijn `chemische jeugd' op schrift te gaan stellen. Hoewel het ook op de voorkant van de Nederlandse vertaling als een autobiografie wordt gebracht, is het dat zèker niet. Eerder is het een biografie van de scheikunde: niet voor niets zijn er naast een aantal foto's uit het familiealbum, twee pagina's ingeruimd voor het Periodiek Systeem der Elementen, de familiefoto van de chemie.

Je zou kunnen zeggen dat Sacks in zijn jeugd de geschiedenis van de scheikunde heeft doorleefd, door haar als het ware zelf opnieuw te ontdekken. De heldendaden van alle grote onderzoekers – Mendelejev, Lavoisier, Dalton en Davy – komen dan ook in aparte, populair-wetenschappelijke intermezzo's aan bod. Soms heel technische, maar toch heldere beschrijvingen worden doorspekt met anekdotes over hun leven, vaak in de van Sacks zo bekende uitgebreide voetnoten. Alleen daarom is het boek het waard om gelezen te worden: hij is de leraar die we ons allemaal zouden wensen.

Gezien de verwevenheid van scheikunde en persoonlijke geschiedenis ligt het voor de hand een vergelijking te maken met Het Periodiek Systeem van Primo Levi. Dat laatste is echter een veel persoonlijker boek, waarin de schrijver zichzelf bloot geeft, zij het dan gebruik makend van de symboliek van de elementen uit het Periodiek Systeem. Daarmee vergeleken is Uncle Tungsten feitelijk niet meer dan het verslag van een intens beleefde jeugdliefde. Hoewel dit Sacks de gelegenheid bood af te rekenen met een donkere periode uit zijn nog jonge leven, is dat niet het belangrijkste thema. Veel eerder is het boek een lofzang op de kracht van de menselijke geest om patronen waar te nemen in de schijnbare chaos van de natuur en daarin orde aan te brengen.

Oliver Sacks: Uncle Tungsten. Memories of a Chemical Boyhood. Picador/Knopf, 318 blz. ƒ39,56. Vertaald als Oom Wolfraam en mijn chemische jeugd.

Meulenhoff, 311 blz. ƒ42,97