Dittrich achtervolgd door Limburgs verleden

Maastricht heeft twee kandidaten voor de post van burgemeester. Over de PvdA-gegadigde, K.Dittrich, worden nu klachten geuit, ook tegenover de minister van Binnenlandse Zaken.

Het CDA in Limburg is in alle staten. De grootste politieke partij in Limburg dreigt geen enkele burgemeester meer over te houden in de grote steden in de provincie als K. Dittrich (PvdA) wordt benoemd tot burgemeester van Maastricht.

De ledenvergadering van het CDA-Limburg riep maandag het kabinet op de tweede kandidaat op de voordracht, het Tweede-Kamerlid Leers (CDA), te benoemen. Volgens voorzitter L. Frissen van het CDA-Limburg raken anders de verhoudingen ontwricht. Frissen: ,,De PvdA in Limburg krijgt trekjes van de oude KVP. Het enige verschil is dat de KVP 75 procent van de stemmen had en de PvdA nu nog geen 25 procent.''

De voordracht van Dittrich, bestuursvoorzitter van de Universiteit Maastricht (UM), leidt tot discussie. Het gaat daarbij ook over zijn verleden. Zo was hij als voorzitter van MVV verantwoordelijk voor fraude en belastingontduiking door de voetbalclub. Hierover trof hij in 1993 een schikking met justitie. De CDA-fractie in Provinciale Staten gaat `gouverneur' Van Voorst aan de tand voelen over diens rol in het screenen van Dittrich. In de fractie leven zorgen over de objectiviteit van Van Voorst wegens diens persoonlijke vriendschap met Dittrich. De fractie van de ouderenpartij 55+ vindt Dittrich `onbenoembaar'.

Daar staat tegenover dat de gemeenteraad het vertrouwen in Dittrich heeft uitgesproken. Dat hij bestuurder was van een sjoemelende voetbalclub wordt hooguit `onhandig' gevonden. V. Bonke, oud-lid van het college van bestuur van de UM: ,,Hij had natuurlijk nooit voorzitter van MVV moeten worden. Dat is toch een beetje een rare club.'' Burgemeester J. Cohen van Amsterdam, oud-collega en vriend van Dittrich, twijfelt ook niet. In de Volkskrant sprak Cohen deze week lovende woorden en relativeerde hij de oude affaires.

Onderwijl verweert Dittrich zich tegen berichten dat hij als lid van het college van bestuur een opdracht gegeven heeft aan een bouwbedrijf waarvan hij adviseur was. Hij heeft minister De Vries (Binnenlandse Zaken) en gouverneur Van Voorst een dossier over de kwestie gestuurd. Daarin staat dat de universiteitsraad in 1993 vond dat van belangenvermenging geen sprake was. Volgens de raad was Dittrich bij de aanbesteding slechts betrokken bij de formele bekrachtiging van voorstellen. Het dossier gaat niet in op de afspraak die Dittrich met de vertrouwenscommissie van de universiteit had, dat hij zijn adviesbaan zou opgeven als het bedrijf ,,een binding'' met de universiteit zou krijgen. Hierop reageerde ex-burgemeester Van Poppel van Bergeyk in een brief aan De Vries. Van Poppel werd in 1995 ontslagen als burgemeester, omdat hij de schijn van belangenverstrengeling niet vermeden had. Hij constateert dat ook Dittrich de schijn niet heeft vermeden door zijn adviseurschap niet te verbreken toen het bouwbedrijf een opdracht kreeg van de universiteit. Van Poppel ziet ,,een ernstige vorm van rechtsongelijkheid'', als Dittrich benoemd wordt.

Minister De Vries kreeg ook een brief van oud-UM-medewerker C.van der Hucht. Hij getuigt hoe hem in januari 1990 in een vergadering door het college van bestuur van de universiteit (Dittrich, V. Bonke en L. Vredevoogd) is gevraagd het aantal eerstejaars kunstmatig op te voeren. Hij moest, in strijd met de regels, hbo'ers die in de doctoraalfase instroomden, meetellen als eerstejaars in de propedeusefase. Daardoor steeg de rijksbijdrage. Van der Hucht weigerde.

Dittrich had de portefeuille financiën. Hij laat weten ,,geen herinnering'' te hebben aan de vergadering met Van der Hucht. Vredevoogd, nu bestuursvoorzitter van de Universiteit Leiden, was niet bereikbaar. Bonke wel: ,,Ach, er mag zoveel niet. Wij vonden dat die hbo'ers wel als eerstejaars konden meetellen. Ik maak ook wel eens een fout bij mijn aangifte inkomstenbelasting.''

    • Joep Dohmen