De mythe op ware grootte

Een halve eeuw was er niet in Troje gegraven toen de Duitse archeoloog Manfred Korfmann er aan het werk ging. Het Troje van Homeros blijkt toch weer groter dan gedacht. En het was Hittitisch.

Het licht is uit, de spots zijn aan. In de eerste dertig vitrines vertellen zwart- en roodfigurige vazen het eeuwige verhaal van de val van Troje, ook wel Ilios genoemd. Hoe de Klein-Aziatische prins Paris de mooiste vrouw op aarde, Helena van Sparta, schaakt en zo de Griekse aristocratie in het hart raakt. Hoe de heersers van de Helleense wereld een coalitie smeden tegen deze schending van westerse waarden, en het beleg slaan rond Paris' vaderstad Troje, die de koningszoon weigert uit te leveren. Hoe de Grieken na eindeloze beschietingen, onenigheid binnen de coalitie en inzet van het nieuwste oorlogstuig Troje met de grond gelijk maken. En hoe slechts enkele bewoners de bijltjesdag overleven: de trouweloze Helena bijvoorbeeld, die haar gekrenkte echtgenoot Menelaos weet te vermurwen met een blote borst, en de vrome Aeneas, die door de goden tot grootse dingen geroepen is en met zoon aan de hand en oude vader op de rug de brandende stad ontvlucht.

`Troje – droom en werkelijkheid' heet de tentoonstelling in de Bonner kunsthal; het is de droom die het eerst aan bod komt. Na een korte inleiding over de legendarische Homeros, die in zijn Ilias (ca. 750 v.Chr.) de faam van het vér voor zijn tijd verwoeste Troje vereeuwigde, bieden vier afdelingen inzicht in het Nachleben van de Tien Jaar Die De Wereld Schokten. Een hoofdrol is weggelegd voor de Homeros-apostel Vergilius (70-19 v.Chr.), die in opdracht van keizer Augustus de geschiedenis van de Romeinen terugvoerde tot Aeneas, de zoon van Venus. Zijn Aeneis was, samen met de Metamorfosen van zijn collega Ovidius, tot in de Renaissance de belangrijkste `bron' voor de Trojaanse oorlog, omdat de Griekse tekst van Homeros in vergetelheid was geraakt. Andere details kwamen uit twee – in vertaling overgeleverde – prozaromans van Griekse schrijvers uit de late Oudheid die zichzelf aan het nageslacht, even stoutmoedig als succesvol, als ooggetuigen van de val van Troje wisten te presenteren.

Eigentijdse ridders

In Bonn liggen dus niet alleen een vierde-eeuws Aeneis-handschrift en de uit Augustus' tijd afkomstige Tabula Iliaca, een marmeren reliëf met het verhaal van Troje in stripvorm, maar ook landkaarten en middeleeuwse manuscripten met illustraties waarin de Griekse helden als eigentijdse ridders zijn afgebeeld. Er hangen tekeningen en schilderijen van zestiende- en zeventiende-eeuwers die zich hebben laten inspireren door de dood van de held Achilleus (Rubens) of het oordeel van Paris (Cranach, die de te keuren godinnen alledrie van een andere kant laat zien), en er staan majolica schalen met onder meer de spectaculaire wurging van de Trojaanse priester Laokoön, en een Trojaans paard dat weinig houterig oogt. Een zaal verder vindt men de geïllustreerde vertalingen en navertellingen van de Ilias uit de negentiende eeuw, waaronder ook een Weltgeschichte für Kinder (1821), die openligt bij een gravure van het brandende Troje. Een object met een verhaal, want volgens Heinrich Schliemann was het de tekening van Trojes dikke muren die hem er op zevenjarige leeftijd van overtuigde dat de mythische klein-Aziatische havenstad uit de Ilias niet spoorloos verdwenen kon zijn.

Heinrich Schliemann! Het is pas halverwege de tentoonstelling dat zijn naam voor het eerst valt, en dat mag een unicum heten. De Mecklenburger amateur-archeoloog (1822-1890) hoort bij Troje als Achilleus bij Patroklos of Ajax bij waanzin. De laatste grote Troje-tentoonstelling, tien jaar geleden in Essen, heette zelfs Schliemanns Troia. En terecht, want Troje is bijna net zoveel van Schliemann als van Homeros. Het was Schliemann, de pathologische fantast, die in 1871 met geld uit de Krimoorlog en de Californische Goldrush begon te graven op de Hissarlik-heuvel aan de Turkse oostkust, en die binnen een paar seizoenen (,,hij groef alsof hij aardappels rooide'', schreef een collega) vier prehistorische lagen én een goudschat vond. Het was Schliemann die deze `schat van Priamus' – naar later bleek duizend jaar ouder dan de heerschappij van de mythische koning – in de sjaal van zijn vrouw naar het westen smokkelde, en die zijn beeldschone Sophia spectaculair liet fotograferen met de `juwelen van Helena'. En het was Schliemann die aan het eind van zijn leven, toen verdere opgravingen suggereerden dat het Troje van de late Bronstijd (ca. 1250 v.Chr.) nogal armoedig was, vertwijfeld constateerde dat zijn opgravingen ,,het Ilios van Homeros tot zijn ware afmetingen [hadden] teruggebracht''.

In Bonn neemt Schliemann een bescheiden plaats in – en dat terwijl de recentste opgravingen bij Hissarlik zijn aanvankelijke theorieën bevestigen. Want `Troje VIIa', de prehistorische nederzetting die aan het einde van de dertiende eeuw voor Christus verwoest werd (en dus mogelijk het door Homeros bezongen Ilios was), bleek behalve een sterke burcht ook een uitgestrekte benedenstad te hebben. Onder de stad bevond zich een groot waterreservoir, terwijl bij een van de muren een in de rots uitgehakte schacht van 3,5 meter breed werd gevonden die hoogstwaarschijnlijk diende als verdedigingswerk tegen (Griekse?) strijdwagens. A city fit for a king.

Het waren niet de enige ontdekkingen van de Tübinger archeoloog Manfred Korfmann, die in 1988 als eerste na vijftig jaar weer in Troje was gaan graven. Met boringen en luchtfotografie vond hij dichtbij de vesting een oude bedding van de rivier de Skamandros (bekend van Homeros' verslag van een slachting die Achilleus daar aanrichtte) en bewees hij dat de Dardanellen in prehistorische tijden veel dichter bij de Hissarlik-heuvel lagen dan tegenwoordig. Dicht genoeg om van Ilios een machtige havenstad te maken die tol kon heffen en vertier kon bieden aan de schepen die in de smalle verbindingszee vaak lang op wind in de rug moesten wachten.

Maar de grootste verdienste van Korfmann is dat hij aannemelijk heeft weten te maken dat het prehistorische Troje geen Griekse kolonie, maar een Anatolische, zelfs Hittitische stad was. Die theorie werd al gehoord sinds een specialist Indo-Germaans in 1924 de in Hittitische inscripties genoemde stadstaat Wilusa had gelijkgesteld met Troje, dat in antieke teksten Wilios werd genoemd. Korfmann vond in Troje VIIa een bronzen zegel met hiërogliefen in het Luwisch, een met het Hittitisch verwante taal. Hij stelde bovendien dat de godheid Kaskalkur, die in een beroemd verdrag tussen Wilusa en de grootkoning Muwatalli II (1280 v.Chr.) genoemd wordt, de beschermer was van de `tunnels' (kaskal) `onder de grond' (kur) die naar de imposante, al door Schliemann ontdekte waterbekkens leidde. De Griekse helden waren in de late Bronstijd dus niet uitgevaren tegen hun broeders, zoals de legende het wilde, maar tegen een vreemde mogendheid.

Archeologenhoed

In de schitterend geïllustreerde en voor een spotprijs verkrijgbare Troia-catalogus schrijft Manfred Korfmann dat zijn voorgangers (Schliemann, Wilhelm Dörpfeld en Carl Blegen) té Grieks georiënteerd waren om het Anatolische karakter van Troje te onderkennen. Dat hun dit niet te hard aangerekend moet worden, mag blijken in de langste zaal van de Bonner kunsthal die met behulp van maquettes, reconstructietekeningen en archeologische vondsten een `rondgang' door de tien (!) bewoningslagen van Troje biedt; van Troje I (ca. 2800 v.Chr.) en het rijke Troje II (ca. 2500 v.Chr.), via het Troje VIIa van `Priamos', tot de nederzettingen in de Romeinse tijd en Middeleeuwen. Je krijgt bewondering voor Korfmann, die getooid met archeologenhoed op videoschermen uitleg geeft bij de verschillende locaties; het verschil tussen twaalfde-eeuws aardewerk uit de Myceense en Anatolische cultuur is nauwelijks te zien, laat staan dat je kunt zeggen welke van de twee de Leitkultur is.

Voor Heinrich Schliemann, onder wiens handen Troje van een mythische droom in tastbare werkelijkheid veranderde, was het Ilios van Homeros het symbool van de westerse cultuur, het fundament van de Duitse Bildung. Zoals het `Traum'-gedeelte van de tentoonstelling laat zien, was hij bepaald niet de eerste die met een ideologische blik naar de kraamkamer van de Griekse mythen keek. Al in 480 voor Christus liet de Perzische koning Xerxes duizend runderen offeren op de plaats waar hij het antieke Troje vermoedde. Alexander de Grote kwam er om zijn Griekse voorouders te eren, Julius Caesar en Augustus brachten offers aan Aeneas zoon Julus, de grondlegger van het Julische huis.

De Romeinen hadden overigens wel, onder invloed van Vergilius' Aeneis, met de ontheemde Trojaan Aeneas een vreemde stamvader in huis gehaald. Je zou het de triomf van de verliezers kunnen noemen. In de pan gehakt door de Grieken, stichtten de laatsten der Trojanen de stad waaruit Rome, het machtigste wereldrijk uit de geschiedenis, voort zou komen. En omdat de Aeneis zo populair was in de Middeleeuwen legitimeerden de koningshuizen in Europa, van de Merovingen tot de Valois en van de Saliërs tot de Habsburgs, hun macht door te verwijzen naar hun afstamming van de metgezellen van Aeneas. Steden als Pisa, Genua, Toledo en Keulen claimden dat ze gesticht waren door Trojaanse helden met een naam die vagelijk aan de stadsnaam deed denken; de stad Parijs verwees zelfs naar Paris, die toch in iedere versie van het klassieke epos een ongelukkige dood in Troje was gestorven.

Uitventen

De Trojaanse sequels en `prequels', zo meldt de tentoonstelling, brachten de middeleeuwers bij wat niet in de bijbel stond: de verhoudingen tussen ridders en de rest van de wereld, de erecode van de aristocratie, en de hoofse liefde. Net als in Schliemanns tijd bood Troje dus niet alleen vermaak, maar ook Bildung. Plus financieel gewin, want het uitventen van de symbolen van de Trojaanse Oorlog is al zo oud als de eerste Griekse vaas met Achilleus erop. In de vroeg-moderne tijd stond Troje op borden en schalen, in de achttiende eeuw op dienbladen en behang, in het fin-de-siècle werd er zelfs een bloem naar `Helena's tranen' genoemd. Hoe de Grieken en Trojanen in de twintigste eeuw de massamedia veroverden is te zien in een zijzaal van de tentoonstelling. Naast vitrinekasten met strips (Mickey Mouse en de Schat van Priamos), spotprenten (de anti-rooktekening van een door sigaretten verstikte `Nikotinoön') en hedendaagse romans (Christa Wolfs Kassandra) hangt er ook een poster van de Hollywoodproductie Helen of Troy (1955), waarvan de ondertitel `The Face That Launched a Thousand Ships!' in het Engels spreekwoordelijk is geworden.

De symboliek van de Trojaanse helden heeft zijn kracht nooit verloren. Tussen de beeldhouwwerken en foto's van moderne Troje-toneelproducties in de afdeling `Troia unendlich' staat een bronsbeeld van Elmar Hillebrand uit 1978. Het stelt de vlucht van Aeneas en zijn twee familieleden uit het brandende Troje voor. Een dynamisch beeld, dat meerwaarde krijgt wanneer je leest dat het bedoeld was als monument voor Konrad Adenauer, de bondskanselier die Duitsland een nieuw begin bood na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog.

Intussen, in een ander deel van de wereld, graaft Manfred Korfmann verder. De Hissarlik-heuvel is groot, en de archeologische geschiedenis van Troje heeft bewezen dat je nooit kunt zeggen `dat we alles over Troje nu wel weten'. In het laatste hoofdstuk van de tentoonstellingscatalogus wordt het recente streven om van Hissarlik en omgeving een nationaal park te maken `de laatste strijd om Troje' genoemd. Maar zo eenvoudig is het niet. Zo wordt er nog steeds gesteggeld over Schliemanns `Schat van Priamus', die na de oorlog door de Russen als herstelbetaling uit Berlijn werd meegenomen, acht jaar geleden opdook in het Poesjkinmuseum in Moskou, en tot op heden betwist wordt door Duitsers, Russen, Grieken en Turken. Alleen al het wetenschappelijk onderzoek van de schat, die volgens sceptici door Schliemann is samengesteld uit verspreide vondsten en aangekochte kunstvoorwerpen, kan jaren duren. Ook in dát opzicht is Troje oneindig.

`Troia – Traum und Wirklichkeit'. T/m 17 febr. 2002. Ma. gesloten. Bonn, Kunst- und Ausstellungshalle. Catalogus 25 euro; tentoonstellingsgids 7,50 euro.

    • Pieter Steinz