De heiligheid van lijnen

Buitenlandse historici hebben weinig belangstelling voor de Nederlandse geschiedenis. Horst Lademacher wèl. Hij schreef doorwrochte artikelen over het territorium dat de Benelux en Noordwest-Duitsland omvat.

Momenteel studeren meer Duitsers Nederlands dan Nederlanders Duits. Terwijl op politiek vlak de samenwerking toeneemt en onlangs tussen Nederland en Noordrijn-Westfalen weidse plannen voor verdere intensivering op tafel kwamen, stort hier de germanistiek catastrofaal ineen zodat de taal van het grootste en belangrijkste buurland al tot de `kleine letteren' wordt gerekend en door jongere generaties zienderogen wordt geradbraakt. Zelfs in wetenschappelijke kringen citeert men vandaag doodleuk Kant, Freud of Max Weber in het Engels.

Tegelijkertijd ondervinden Nederlandse taal en literatuur aan Duitse universiteiten en zelfs aan middelbare scholen steeds meer interesse. Maar opmerkelijkerwijs ligt het bij geschiedenis omgekeerd: er is een aantal Duitslandkenners onder Nederlandse historici, maar bij buitenlandse, dus ook Duitse historici staat Nederland doorgaans weinig in de belangstelling. Behalve – altijd weer – die eeuwige Gouden Eeuw.

Een van de grote uitzonderingen is Horst Lademacher, voormalig directeur en motor van het Institut für Niederlande-Studien in Münster. Als gewezen hoogleraar aan de VU kent hij Nederland ook van binnen en hij heeft in diverse doorwrochte boeken aan Duitse lezers duidelijk gemaakt dat de geschiedenis hier niet met de stadhouder-koning en de vrede van Utrecht in 1713 was afgelopen. Een aantal artikelen, deels redevoeringen, over het territorium dat de Benelux en Noordwest-Duitsland omvat, heeft hij nu gebundeld.

De reden van die geografische afbakening is duidelijk en Lademachers afsluitende beschouwing over cultuur, regio en natie vormt de eigenlijke quintessens, de kapstok van de bundel en tevens zoiets als een programma dat aan zijn hele werk ten grondslag ligt: een verenigd Europa kan niet alleen uit de Brusselse ambtenarenhemel vallen, wil het levensvatbaar worden. De transnationale euregio's hebben daarbij een wezenlijke functie naast het oplevende interne regionalisme. In beide gevallen immers verliezen de gefixeerde nationale grenzen iets van hun culturele en politieke gewicht. Ook die nationale grenzen zijn uiteraard historisch.

Afgepaalde eenheid

In het verre verleden bestonden saamhorigheidsverbanden op grond van taal of dialect, religie, leefwijze, landschap, die geenszins met die latere vaste natiegrenzen correspondeerden; daarbij heeft het begrip `grens' in de loop der tijden een zeer variabele betekenis gehad. Bij een grens hoort als logisch complement de ruimte; ruimte als afgepaalde eenheid. Een kardinale historische vraag is wat die ruimte die altijd door grenzen werd en wordt geschapen, voor soort eenheid oplevert en – meer toegespitst – of die grenzen het resultaat van een als reëel gevoelde ruimtelijke eenheid zijn, of dat omgekeerd die ruimtelijke eenheid het resultaat van grenzen is die op een gegeven moment om politieke, dynastische, of wat voor redenen ook werden opgesteld.

De naoorlogse geschiedenis demonstreert als bijna geen andere periode de betekenis van grenzen die het gevolg waren van overleg en ruzie aan de conferentietafel. Wie toevallig in 1945 twee kilometer ten oosten van de Elbe zat, werd in een andere staat gedompeld en kreeg bijgevolg een andere indoctrinatie en levensloop mee dan wie twee kilometer westelijker woonde. Overbodig te zeggen dat dit daarom een van de meest intrigerende kwesties van de geschiedenis is, die weer eens een brandende actualiteit heeft gekregen met betrekking tot de grenzen van Europa.

Daarbij dringt zich vandaag echter ook de conclusie op dat het gewicht van de ruimte, in deze zin van een territoriale eenheid die een historisch saamhorigheidsbewustzijn in stand houdt of bevordert, tevens sterk gewijzigd en verminderd is door de globalisering en door de moderne communicatiemiddelen. De aanslagen van 11 september in New York waren aanzienlijk dichter bij Hilversum dan Brussel. En de enorme mobiliteit van de bevolkingen, de stromen van allochtonen verminderen eveneens dat gewicht van een specifieke territoriale ruimte, die in vroeger eeuwen het bewustzijn en alledaagse leven van het gros van de mensen beheerste.

Lademacher gaat bij zijn ruimtevoorstelling uit van de naoorlogse constellatie ten gevolge van moderne politiek-economische structuren en relaties. Die ruimte valt deels, maar niet volledig, samen met oudere concepties en verbanden. Het idee van een oorspronkelijke Nederduitse saamhorigheid op grond van taalverwantschap, en daarmee ook van mentale of stamverwantschap, heeft onder invloed van romantisch-volkse theorieën in het verleden een twijfelachtige rol gespeeld. Door een Duits hegemoniestreven en expansionisme, waarbij reminiscenties aan het Heilige Roomse Rijk en racistische opvattingen een belangrijke rol speelden, is dit soort saamhorigheidsgedachten na de Hitler-catastrofe in diskrediet geraakt. Er kan dan ook geen sprake zijn van het weer opgewarmde oude menu. We hebben te maken met andere premissen in een veranderd Nederland, Duitsland, Europa. Historische tradities hebben daarbij onmiskenbaar hun betekenis, maar het is even onmiskenbaar dat het de huidige generatie is die bepaalt wat ze ermee doet. Het verleden is uiteindelijk altijd wat het heden ervan maakt.

Lademacher distantieert zich dan ook stilzwijgend van een aprioristische romantische verwantschaps- of stamconceptie, zoals die nog door de historicus F. Petri in Münster na de oorlog in aangepaste vorm werd uitgedragen. Hij beveelt juist aan om na te gaan welke factoren door de generaties heen grenzen hebben geschapen en welke in het bewustzijn zijn verankerd. En het is duidelijk dat in de reusachtige grabbelton van de geschiedenis altijd tal van elkaar doorkruisende lijnen en afbakeningen kunnen worden gevonden. Maar wie een verenigd Europa wil, aldus de boodschap, zal moeten aanknopen bij transnationale regionale eenheden en daarbij kan hij de geschiedenis niet verwaarlozen.

Aansluitend bij zowel actuele als historische samenwerkingsverbanden behandelt de auteur capita selecta van de drie landen, die in het huidige Europa steeds meer met elkaar te maken hebben. En daarbij staan de stukken over Nederland in de bundel veruit centraal. De logische tegenhanger van de actuele slotboodschap vormt het openingsartikel over de wording van een Nederlands staatsgeheel uit het Bourgondisch-Habsburgse landencomplex in de zestiende eeuw. Want die wording is een plastische demonstratie van de historiciteit en ook de toevalsfactoren waardoor grenzen kunnen ontstaan die later een heilige vanzelfsprekendheid hebben gekregen.

Lademacher is in alles de antipode van Schama, die met zijn boek over de zeventiende eeuw internationaal furore maakte. Hier geen opzienbarende, uitdagende theses, geen gewaagde evocaties waarbij het literaire effect en briljante spektakel ook wel eens ten koste gaan van de wetenschappelijke zuiverheid, maar een getemperde, evenwichtige en genuanceerde betoogtrant en een op grondige vertrouwdheid met de hele discussie en literatuur gebaseerde balans. Lademacher daagt niet uit, maar wil een synthese geven van wat de vakliteratuur naar voren heeft gebracht, soms aangevuld met eigen bronnenonderzoek. Dat betekent in dit geval voor negentig procent de Nederlandse vakliteratuur. Hij vat samen, maar stelt daarbij ook telkens vragen, die tot verder na- en doordenken uitnodigen. Hij beklemtoont vooral de tegenstelling tussen politiek-ideologische beginselen en economische belangen.

Tegenstrijdigheid

Ook in het directe naoorlogse beleid onderstreept Lademacher de economische prioriteiten die een harde reparatiepolitiek jegens Duitsland onwenselijk maakten met het oog op Nederlands agrarische export en industriële import. Een koers die op gespannen voet stond met de ideologische en psychische dispositie in het land. Duidelijk komt daarbij zowel de feitelijk zwakke positie van Nederland bij de geallieerden naar voren als de nog steeds achterlopende politieke mentaliteit en inschatting van de eigen mogelijkheden. In zoverre was er minder veranderd door de oorlog dan men oppervlakkig gezien zou denken. Ook bij de latere verhouding tot Duitsland signaleert Lademacher terecht doorlopend die tegenstrijdigheid tussen de door harde belangen gedicteerde realistische en goede samenwerking met de Bondsrepubliek en de onverminderd anti-Duitse sentimenten bij de publieke opinie en in intellectuele en mediakringen. Ik zelf heb er al eerder op gewezen dat de laatsten de oude predikantenfunctie hadden overgenomen als tegenwicht tegen de onideologische handelsgeest, die tenslotte echter altijd de doorslag gaf en geeft. Ten aanzien van de Bondsrepubliek is er de laatste jaren misschien van een wegebben van oude sentimenten sprake, wat niet wegneemt dat Nederland moeite heeft zijn vertrouwde opstelling met de rug naar het oosten vaarwel te zeggen. Omgekeerd is in Duitsland kennis van Nederland en zijn geschiedenis nog niet altijd in overeenstemming met de toenemende belangstelling. Het werk van Lademacher heeft echter een dubbele functie, want wij zijn niet rijkelijk bedeeld met historische werken over Nederland gezien door een buitenstaander.

Horst Lademacher:

Der europäische Nordwesten. Historische Prägungen und Beziehungen. Waxmann Verlag, 392 blz. ƒ88,40

    • H.W. Von der Dunk