Carl Schmitt

Meestal lees ik met plezier de recensies van A. Heumakers, maar niet diens bespreking van de vertaling van Schmitts klassieker Der Begriff des Politischen (Boeken, 9.11.01). Het feit dat deze klassieker nu terecht toegankelijk is in het Nederlands, acht ik nog geen reden voor Schmitts rehabilitatie. Heumakers noemt Schmitt de kroonjurist van de nazi's, maar dat blijft onderbelicht. Daarom een paar feiten: Schmitt gaf zijn juridische fiat aan Hitlers moordpartijen bij de zogenaamde Röhm-putsch van 1934; in 1936 riep hij op tot een zuivering van de bibliotheken van joodse invloeden; hij deed zijn best Hitlers `Grossraumgedachte' te legitimeren.

Ook slaat Heumakers de plank een aantal keren mis. Ten eerste is niet de vijand het centrale begrip van `het politieke', maar de tegenstelling tussen vriend en vijand. Het `existentiële' karakter daarvan is geen relativering van die tegenstelling: vriendschap is voor Schmitt niet iets psychologisch, maar een uiting van `Sippengenossenschaft'. Het is duidelijk wie later volgens Schmitt tot de `Sippe' behoort en wie niet. Twee: Heumakers spreekt ten onrechte over de Westerse cultuur die zich via `mensenrechten, Coca-cola en markt gedurende de laatste eeuw over de hele wereld heeft breed gemaakt'. Is hij vergeten dat de wereldoorlogen hebben plaatsgevonden binnen de `Westerse cultuur', tussen 'civilisation' enerzijds en 'Kultur' anderzijds? Weet Heumakers niet van het bestaan van sociale mensenrechten die haaks staan op `markt'. Ten derde: Heumakers veronachtzaamt de krachtige aanwijzigingen dat Schmitts denken in het teken staat van een virulent antisemitisme. Men leze Raphael Gross' spannende Carl Schmitt und die Juden.

Ten vierde: het is onjuist dat een theorie die de oorlog en de vijandschap centraal stelt, de oorlog zou beteugelen. De oorlog is alleen met behulp van regels van het recht in te dammen en daartegen verzette Schmitt zich uitdrukkelijk. Voorts: in het ressentimentvolle `Glossarium' herschrijft Schmitt zijn eigen geschiedenis en noemt hij Jaspers en Radbruch de `intellectuele pin-ups van de Amerikanen'. Tenslotte: hoezo heeft het terrorisme niets te maken heeft met de tegenstelling tussen arm en rijk, maar met een strijd tegen de oprukkende moderniteit? Is het fundamentalisme niet juist een modern verschijnsel?

Heumakers besteedt terecht aandacht aan Schmitt. Diens denken maakt duidelijk dat dé Westerse cultuur niet bestaat en dat intellectuelen als Schmitt medeverantwoordelijk zijn voor wat er op deze aarde vreselijk fout kan gaan.

Naschrift Arnold Heumakers:

Thomas Mertens gaat er kennelijk vanuit dat het hele politieke denken van Carl Schmitt nationaal-socialistisch (en dus antisemitisch) was. In de nu vertaalde versie van Der Begriff des Politischen (1932) zijn daarvoor echter geen bewijzen te vinden. Het lijkt me kortzichtig al Schmitts ideeën te bezien in het licht van zijn latere nazi-engagement, waarvoor een `virulent antisemitisme' overigens niet de belangrijkste drijfveer is geweest.

Wat betreft de plank die ik `een aantal keren' zou hebben misgeslagen: ik schrijf niet dat bij Schmitt de vijand het centrale begrip is van het politieke, maar `het onderscheid tussen vriend en vijand', al valt te verdedigen dat hij bij dit tweetal aan de vijand prioriteit toekent. Over een `relativering' van de vijandschap in de door mij bedoelde zin spreekt Schmitt zelf in zijn voorwoord bij Der Begriff des Politischen uit 1963. De vriendschap als uiting van `Sippengenossenschaft' staat bij mijn weten niet in de versie uit 1932, maar hoort thuis in Schmitts aanpassing van zijn eigen ideeën aan het nationaal-socialisme na 1933, iets wat ik beslist niet heb willen `rehabiliteren'. De beide wereldoorlogen heb ik niet vergeten, maar wil Mertens beweren dat zij de westerse culturele expansie in de twintigste eeuw hebben tegengehouden? Of mensenrechten en `markt' inderdaad de tegenstelling vormen die Mertens (en velen met hem) erin willen zien, dat is precies de pijnlijke vraag die Schmitts kritiek op het liberalisme opwerpt en die het verdient zonder zelfgenoegzaamheid te worden beantwoord. De beteugeling van de oorlog door middel van het recht is een gedachte die wel degelijk bij Schmitt voorkomt (zie Het begrip politiek, p.48), maar in zijn tijd achtte hij de effectiviteit van het klassieke volkenrecht verstoord doordat de oorlog in het liberale denken zou zijn verdrongen.

En tenslotte: dat het fundamentalisme een modern verschijnsel is, ben ik met Mertens eens, maar dat bevestigt eerder mijn stelling dat het moslimterrorisme vooral als een – even extreme als desperate – vorm van defensie moet worden gezien, uit naam van een door de moderniteit in het nauw gebrachte religie. De tegenstelling tussen arm en rijk (de Bin Ladens van deze wereld zijn niet arm) vormt daarbij geen doorslaggevend motief. Dat het in de propaganda soms wel zo wordt gebruikt, is natuurlijk een andere zaak.

    • Thomas Mertens