Vrijhandel

Het artikel van Brakman, Garretsen en Van Witteloostuijn over de spanning tussen wereldwijde vrijhandel en het handelsbeleid van economische blokken (NRC Handelsblad, 10 november) bevat zowel een feitelijke als een theoretische onjuistheid. De feitelijke onjuistheid is dat de textielindustrie uit Nederland zou zijn verdwenen. Toegegeven, de omvang van de industrie is sterk afgenomen. De afname van industriële productie betreft een groot deel van de textiel- en vrijwel de gehele kledingproductie. Maar toch werken er ook vandaag nog ongeveer 12.000 personen in circa 110 bedrijven die in Nederland textiel en tapijt produceren. Vorig jaar bedroeg de gezamenlijke omzet 1,5 miljard euro. De Europese cijfers zijn imposant en zeker in het kader van de WTO relevant: circa 110.000 bedrijven, 2 miljoen werknemers en een totale omzet van 200 miljard euro.

De theoretische onjuistheid is opvallender. De auteurs stellen enerzijds: ,,Alleen als alle partijen de internationale handel liberaliseren, zal het proces van grensoverschrijdende arbeidsverdeling naar behoren kunnen functioneren'', en anderzijds dat ,,hier en daar bedrijven of zelfs hele sectoren geen bestaansrecht meer hebben omdat elders in de wereld deze goederen efficiënter kunnen worden geproduceerd. De textielindustrie is hiervan een sprekend voorbeeld''. De in Nederland actieve textielindustrie is voorstander van de gedachte dat alle lidstaten van de WTO hun markten voor textielproducten openen. De noodzakelijke aanpassingen zijn bekend, en ook wie wat moet doen. Wereldwijd verdwijnen de quota ultimo 2004 conform de GATT-afspraak uit 1994. Industriële reuzen zoals de VS dienen hun piektarieven af te schaffen en de tarieven fors te verlagen; minder ontwikkelde landen met een omvangrijke textielindustrie als India en Pakistan moeten piektarieven afschaffen, hun prohibitief hoge tarieven drastisch verlagen en alle niet-tarifaire handelsbelemmeringen opheffen.

Als de Europese Unie ergens het goede voorbeeld geeft, dan op dit vlak. Maar de consequentie van dit alles is niet, zoals de auteurs stellen, dat de textielindustrie in Nederland of Europa geen bestaansrecht meer heeft. De consequentie zal zijn dat alleen nog die textielproducten in Nederland en Europa geproduceerd kunnen blijven worden waarvan de hogere kostprijs wordt gerechtvaardigd door de hogere toegevoegde waarde van de desbetreffende producten. Profiterend van de technische vooruitgang is de factor arbeidskosten voor de textielindustrie, in tegenstelling tot de confectie-industrie, niet allesbepalend.

    • Drs C. Lodiers
    • Drs. J.E.F. Wintermans
    • Vereniging Textielindustrie Nederland