Minder lage inkomens Nederlanders

De armoede in Nederland is sinds 1996 met een derde afgenomen. Vijf jaar geleden moest van alle huishoudens 16 procent rondkomen van een laag inkomen, dit jaar is deze groep gedaald tot 11 procent.

Armoede is bij uitstek een probleem van de allochtone bevolking. Dat concluderen het Centraal Planbureau en het Sociaal Cultureel Planbureau in de vandaag verschenen Armoedemonitor 2001. Met de armoede gaat het volgens CPB en SCP dankzij het gevoerde inkomensbeleid van de paarse kabinetten de goede kant op. Tussen 1996 en 1999 is het aantal huishoudens met een laag inkomen gedaald van 970.000 naar 850.000. Maar de armoede onder allochtonen is hoog: van de huishoudens met een niet-westerse allochtone kostwinner heeft 40 procent een laag inkomen.

Het onderzoek hanteert vooral de zogeheten lage-inkomens-grens, die wordt vastgesteld op basis van de bijstand in 1979. Voor een alleenstaande ligt de grens op 1693 gulden per maand. Met name gepensioneerden zijn door een verhoging van de ouderenaftrek in de belastingen uit deze groep gestroomd.

Volgens een meer strikte definitie van armoede is er sprake van een minder scherpe daling. Deze grens bestaat uit het sociaal minimum plus 5 procent (een alleenstaande heeft dan 1481 gulden te besteden). Het armoedepercentage volgens deze definitie schommelde sinds 1990 rond tien à elf procent van de huishoudens, sinds 1998 ligt het net onder de 10 procent.

Het aantal huishoudens dat langdurig onder of rond het sociaal minimum verkeert, neemt ook minder snel af. In 1995 hadden 250.000 huishoudens vier jaar of langer een laag inkomen, in 1999 was dit aantal gedaald tot 235.000 huishoudens.

Volgens CPB en SCP steeg de koopkracht van de huishoudens met een laag inkomen in de tweede helft van de jaren negentig, maar minder sterk dan het gemiddelde. Voor arme huishoudens met een uitkering was het beeld iets gunstiger dan gemiddeld omdat zij profiteerden van bijzondere bijstand en kwijtscheldingsregelingen.

Maar juist door deze maatregelen is werken financieel niet aantrekkelijk. Volgens de Armoedemonitor gold dat in 1999 voor 267.000 huishoudens, omdat ze dan te maken kregen met een `armoedeval', het verlies van inkomensafhankelijke regelingen bij het aanvaarden van werk.

Het probleem van de armoedeval doet zich vooral voor bij uitkeringsgerechtigde eenoudergezinnen met een laag inkomen. In deze groep verkeren 84.000 huishoudens in een `armoedevalsituatie'.