Elsner

Sommige boeken doe je nooit weg. Voor mij is de verhalenbundel Die Riesenzwerge van de Duitse schrijfster Gisela Elsner zo'n boek. Ik bezit nog de Nederlandse vertaling, De reuzendwergen, uit 1965 van de hand van Oscar Timmers. Op de achterzijde prijkt een foto van de dan 27-jarige schrijfster, een mooie, donkere vrouw, waar ik als jongen niet alleen literaire fantasieën van kreeg.

Het boek overweldigde me destijds zowel door toon als inhoud. Het was één lange, satirische aanval, vervat in gedetailleerd, bijna formeel proza, op de kleinburgerlijke wereld van de oudere generaties. Pa en ma kregen er geweldig van langs: hun benepenheid, hun hang naar het allesverdoezelende `fatsoen', hun materialisme. Daar lustte je als adolescent in de jaren zestig wel pap van.

Het eerste verhaal, De maaltijd, begint met de beschrijving van een schransende vader vanuit de optiek van zijn zoontje. Die beschrijving duurt bijna een pagina en eindigt zo: ,,En terwijl mijn vader nog kauwt, houdt hij de volgende volgeladen vork op mondhoogte gereed, de tanden van de vork zo dicht bij de lippen, dat ik vrees dat hij er zich aan zou kunnen verwonden. `Lothar', zegt mijn moeder in haar eten, `eet nu en zit niet altijd te kijken hoe vader eet, dat bederft zijn eetlust'.''

Wie was de schrijfster van dit vileine, bittere proza? Ik kwam er in die jaren niet achter. Ik wist alleen dat ze met Die Riesenzwerge een belangrijke literaire prijs had gewonnen, de Prix Formentor 1964. Het boek werd in veertien talen vertaald. Ze schreef daarna nog vele romans en verhalenbundels, maar de kritieken werden steeds afwijzender en op den duur hoorde je niets meer van haar. Behalve dat ze op 3 mei 1992, kort nadat ze 55 jaar was geworden, zelfmoord had gepleegd. Ze was in München uit het raam gesprongen van de kliniek waarin ze voor haar rookverslaving werd behandeld.

Ik moet deze dagen weer aan haar denken omdat er in Nederland (o.a. in het Amsterdamse Filmmuseum) een speelfilm, Die Unberühbare, van haar zoon, Oskar Roehler, rouleert. Een mooie, aangrijpende film, waarin hij zijn moeder in haar nadagen portretteert.

De film bevatte geen biografische verrassingen meer voor me, omdat ik al in 1993 een indringende Duitse tv-documentaire over haar had gezien. Ze bleek de dochter van bemiddelde ouders uit Neurenberg, haar vader zat in de directie van Siemens. Ze haatte het kille, neurotisch-ordelijke milieu waarin ze opgroeide. Als 20-jarige kreeg ze een verhouding met een oudere schrijver, Klaus Roehler, de vader van de filmmaker. Haar ouders wezen hem af, hij had `te weinig vooruitzichten'. Ze radicaliseerde in politiek opzicht, werd lid van de DKP, de Duitse communistische partij. ,,De vlucht van de ene familie naar de andere'', zei een vriend. In 1989, na de val van de Muur, volgde haar grote ontgoocheling. Ze verhuisde naar de DDR om te redden wat er te redden viel, maar de DDR-burgers lachten haar uit: wie koos er nou vrijwillig voor het communisme?

Ze stierf berooid en eenzaam. Haar kapitalistische vader, o ironie, moest haar in haar laatste jaren financieel ondersteunen. Het satirische einde van een droevig leven.

    • Frits Abrahams