Een wereld vol doodzieke aapjes

Reve is in de loop der jaren in botsing gekomen met conservatief én progressief Nederland. Tegenwoordig vecht zijn vriend de conflicten uit.

Ruzie met Reve is een van de grote constanten in het Nederlandse literaire leven van de laatste vijftig jaar. Collega-schrijvers als `het doodzieke aapje N.' (Cees Nooteboom), geleerde broers, critici, Kamerleden en ministers – allemaal hebben ze het aan de stok gekregen met de schrijver die niet alleen de meeste aanhankelijkheid heeft opgeroepen, maar ook de meeste weerzin. Al bij verschijning van De avonden in 1947 splitsten de lezers zich in twee groepen. Godfried Bomans vond het ,,in zijn soort een meesterwerk'', een oordeel met een kanttekening: ,,De soort is eenvoudigweg afschuwelijk''. Simon Vestdijk, meende tegelijkertijd: ,,Zo'n boek wordt maar eens in de honderd jaar geschreven.''

Hoe het ook zij, beiden zouden in de loop der jaren nog onaardig bejegend worden door de gul schimpscheuten gevende Reve. Bomans beledigde hij in Op weg naar het einde (,,Bomans heeft nooit een eerlijk woord geschreven''). In een interview in 1964 noemde hij hem vervolgens ,,een engerd, een bepaald soort katholieke feestneus waar ik niet van houd''. Nadat Vestdijk zich kritisch over Reves katholicisme had uitgelaten, noemde Reve hem benepen en gierig: ,,Die man, dat is een computer, dat is een kasregister! Als je van voren op die man drukt, komt er van achteren een kassabon uit.''

In 1951, precies vijftig jaar voordat de koning der Belgen zou weigeren hem de Prijs der Nederlandse letteren uit te reiken, kwam Reve in botsing met de Nederlandse staat, preciezer met minister Cals van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen. Die ontnam Reve de reisbeurs die een jury hem had toegekend voor de novelle Melancholia, waarin de hoofdpersoon, zich verstoppend voor de Duitse bezetter, bovenop een kast ligt te masturberen. In mei van hetzelfde jaar, bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs aan Simon Vestdijk, verklaarde Cals: ,,De overheid, die het algemeen belang tot richtsnoer dient te nemen, heeft te waken tegen uitwassen, die kennelijk het algemeen welzijn, ook op geestelijk terrein, bedreigen en in strijd komen met de normen van openbare en goede zeden.''

Op weg naar het einde wist in 1963 de toorn te wekken van Eerste-Kamerlid en antirevolutionair Hendrik Algra, die zich keerde tegen de blasfemische aard van het boek dat hij `Reis naar het einde' noemde. De publiciteit stuwde de verkoop van het boek aardig op en Reve vernoemde zijn huis in het Friese Greonterp naar de politicus: Huize Algra. In Nader tot u, het vervolg op Op weg naar het einde, schrijft Reve vervolgens over Algra ,,Ik doe soms wel of ik hem geweldig haat, maar ik vrees dat ik nu eenmaal niet genoeg van die man houd om dat verrukkelijk gevoel op te kunnen roepen.'' Van wie Reve wel heel veel houdt, is God. Dat blijkt eens te meer uit één van de bekendste passages uit de twintigste-eeuwse Nederlandse literatuur, in hetzelfde boek: ,,Als God zich op nieuw in de Levende Stof gevangen heeft, zal hij als Ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal hem begrijpen en meteen met hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als Hij spartelt bij het klaarkomen''. Ook in een andere passage kondigt Reve aan de als ezel wedergekeerde God ,,drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening [te] bezitten''. Het Tweede-Kamerlid Van Dis (SGP) verzoekt de ministers van Justitie (Samkalden) en CRM (Vrolijk) ervoor te zorgen dat Reve wordt vervolgd, wat geschiedt. Het `ezelsproces' eindigt in 1968, wanneer Reve zijn buitennissige godsbeeld tot aan de Hoge Raad heeft verdedigd.

Ruim tien jaar later, in 1981, krijgt Reve ruzie met de commissie Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek, die weigert het door hem ingeleverde boekenweekgeschenk (De vierde man) te publiceren omdat het `te veel homo-erotische passages bevatte'.

Maar méér nog dan met het conservatieve volksdeel had de schrijver het vanaf de jaren zestig aan de stok met de vertegenwoordigers van de progressieve tijdgeest. Met Harry Mulisch. Reve liet zich al jaren laatdunkend uit over zijn collega Herrie Mulles (,,Mulles is vulles. Reve, da's pas leven''), maar een passage uit De taal der liefde (1972) zette het conflict tussen twee van de toenmalige `grote drie' op scherp. Nadat Reve daarin eerst het verlangen heeft geuit de `prachtvolken' van Suriname en de Antillen onafhankelijk te maken ,,zodat we ze allemaal met een zak vol spiegeltjes en kralen op de tjoeki tjoeki stoomboot kunnen zetten, enkele reis Takki Takki Oerwoud'', schrijft hij zonder diens naam te noemen over Mulisch: ,,Zelf is hij een bastaard, door een alpineus goro goro tiepe, dat jaren lang in de gevangenis heeft gezeten, bij een Jemenitiese water & vuur vrouw verwekt.''

Mulisch reageert met een lang artikel in Vrij Nederland dat later in Het ironische van de ironie. Over het geval G.K. van het Reve als boekje verschijnt. Daarin wijt Mulisch het conflict tussen beide auteurs aan jaloezie die in 1951 bij Reve de kop opstak nadat die niet kon verkroppen dat ook Mulisch voor zijn debuut Archibald Strohalm de Reina Prinsen Geerligs-prijs had gekregen: ,,dat hij destijds groen van afgunst was omdat ik meer gelezen werd dan hij, meer verdiende en beroemder was.''

De laatste jaren is de ouder wordende en met zijn geheugen tobbende Reve vooral de inzet van de polemieken die zijn vriend en verzorger Joop Schafthuizen namens hem voert met uitgevers, biografen, journalisten en collega's. Maar de ruzie met zijn `geleerde broer' Karel (die ,,heel geleerd is, maar niets weet en nooit ergens van gehoord heeft'', 1982) hield hij vol tot een dag voor diens dood in maart 1999. ,,Mijn broer heeft ooit een hoofdstuk uit de Bijbel gelezen, maar hij meent het allemaal al te kennen. Van religie of cultuur weet hij niets. Hij is erg oppervlakkig.'' Een dag later was Reve vooral geschrokken: ,,Wij hadden elkaar al vierentwintig jaar niet gezien en dan ga je je toch een beetje schuldig voelen.''

    • Arjen Fortuin