Bedreigd pensioen

Ruim tien procent van de in Nederland werkzame pensioenfondsen staat op dit moment onder verscherpt toezicht van de Pensioen- & Verzekeringskamer. De plotselinge recessie heeft veel fondsbeheerders overvallen. Vooral institutionele beleggers met veel aandelen in portefeuille zagen hun vermogen het afgelopen jaar fors dalen. Fondsbeheerders hebben meer lucht gekregen door het herstel van de beurskoersen in de afgelopen twee maanden. Langzamerhand dringt echter het besef door dat het economisch herstel in een groot deel van de industrielanden wel tot 2003 op zich kan laten wachten. In dat geval blijft de financiële positie van een aantal pensioenfondsen voorlopig extra aandacht van de toezichthouder vragen.

Dreigt het aanwezige vermogen te klein te worden om aan alle toekomstige verplichtingen te kunnen voldoen, dan zijn er slechts twee mogelijkheden. De eerste optie is de premie voor de aangesloten werknemers en hun werkgevers te verhogen. Een premieverhoging leidt wel tot een onprettige stijging van de loonkosten, die toch al worden opgejaagd door aanhoudende krapte op delen van de arbeidsmarkt. De tweede optie om de financiële positie van pensioenfondsen te versterken is de verplichtingen jegens de deelnemers aan te passen, bijvoorbeeld door de pensioenuitkeringen niet langer te laten meestijgen met de CAO-lonen in de eigen bedrijfstak. Bij de besluitvorming over premieverhoging danwel versobering van de aanspraken gaat het bij een niet al te groot fonds op de lange termijn al snel om enkele honderden miljoenen euro's. Het bestuur van de fondsen in kwestie bestaat nog altijd voor een deel uit goedwillende amateurs. Dat is geen geruststellende gedachte voor de deelnemers, die voor een redelijk inkomen op hun oudedag in belangrijke mate op het aanvullend pensioen van hun vroegere werkgevers zijn aangewezen.

Begrijpelijkerwijs leiden berichten over problemen bij sommige pensioenfondsen tot consternatie bij gepensioneerden en tot onzekerheid bij werknemers die nog een aantal jaren premie zullen bijdragen. Hoe veilig zijn hun opgebouwde pensioenaanspraken eigenlijk? Kapitaaldekking, de vorming van een grote spaarpot, wordt vaak gezien als de veiligste manier om toegezegd pensioen te financieren. Het alternatief is de kosten van lopende pensioenuitkeringen jaarlijks over de jongere generaties om te slaan. Dit systeem bestaat bij de in 1957 ingevoerde Algemene ouderdomswet (AOW). Sommige mensen betalen al veertig jaar voor dit `staatspensioen', maar dat geld is schoon op gegaan. In het verleden zijn de premies onmiddellijk uitgekeerd aan de AOW-gerechtigden van dat moment. Zo'n omslagstelsel is riskant, omdat de generatie die nu premie betaalt maar moet afwachten of de volgende generatie bereid blijft op haar beurt de omslagpremie op te brengen.

Bij kapitaaldekking is dit risico ogenschijnlijk afwezig. Maar schijn bedriegt. Door de ontgroening van de bevolking betreden kleinere jaargangen werkzoekenden de arbeidsmarkt. De geringere instroom maakt het aanbod van arbeid schaars en hierdoor vallen stevige loonsverhogingen te verwachten. De meeste pensioenen zijn nog altijd gekoppeld aan de lonen. Daarom zien de betrokken pensioenfondsen forse extra uitkeringslasten op zich afkomen. Hun rendement zal juist onder druk staan, omdat in de komende tien tot vijftien jaar sprake is van een overvloedig aanbod van besparingen. Die overvloed aan kapitaal drukt de beleggingsopbrengsten (rente, dividend) omlaag. De vloedgolf aan besparingen ontstaat niet in de laatste plaats doordat velen zich proberen in te dekken tegen risico's met de AOW door zélf voorzieningen voor de oudedag te vormen. Trendmatig hogere uitkeringen en lagere rendementen brengen kapitaalgedekte pensioenregelingen mogelijk en masse in de gevarenzone.

Daar komt iets bij. De consumptiemogelijkheden van jong en oud hangen af van het nationale inkomen dat jaarlijks wordt verdiend met de productie van goederen en diensten. Ongeacht de manier waarop pensioenen worden gefinancierd, zullen jonge generaties altijd bereid moeten zijn uit het door hen verdiende inkomen voldoende af te staan voor de ouderen. Bij de AOW is daartoe vereist dat jongeren zonder te morren de stijging van de omslagpremie accepteren. Zij hebben na premieheffing minder te besteden, ouderen kunnen dankzij de uitkering hun deel van de nationale productie claimen. Bij kapitaaldekking claimen ouderen hun deel van de nationale productie door in te teren op hun besparingen. In dit geval moeten werkenden bereid zijn voldoende te sparen om de vermogensbestanddelen van de gepensioneerden (obligaties, aandelen, huizen) over te kopen. Zo niet, dan ontstaat gemakkelijk hollende inflatie, doordat de claims van werkenden, die ervoor kiezen te consumeren, cumuleren met de claims van gepensioneerden, die ontsparen door op hun vermogen in te teren. Een hoge inflatie tast de waarde van de pensioenvermogens aan. Zo trekken de jongere generaties ook bij kapitaalgedekte pensioenen uiteindelijk aan het langste end. Hun bereidheid om het pensioenstelsel overeind te houden is cruciaal, ongeacht het stelsel dat in zwang is om de pensioenen te financieren.