Alle pijlen leiden naar Reve

Reve zou een literaire loner zijn, en zijn boek De avonden oer-Hollands en onvertaal- baar. Onzin. Zijn werk is even universeel als dat van Toergenjev of Flaubert.

`Je kan beter dood zijn, dan dat je Nederlander bent'', zei Gerard Reve in een balorige bui tegen zijn kunstbroeder Simon Carmiggelt. Als er één Hollandse schrijver is die heeft geprobeerd om in het buitenland te slagen, dan is het Reve. Niet door zichzelf in vertaling te (laten) verkopen, zoals Jan Cremer dat deed en Harry Mulisch dat doet; maar door in het Engels te gaan schrijven. Want, zo noteerde hij op de achterflap van zijn eerste Engelstalige boek: publiceren in een weinig bekende taal als het Nederlands is dodelijk voor iedere professionele schrijver.

Het verhaal van Reves Engelse avontuur is vaak verteld. Hoe de Nederlandse staat (te weten staatssecretaris Cals) de veelbelovende jonge schrijver een reisbeurs weigerde wegens het `zedenbedervende' karakter van zijn novelle Melancholia (1951). Hoe G.K. van het Reve uit woede besloot om niet meer in het Nederlands te schrijven, naar Londen verhuisde en in 1956 The Acrobat and Other Stories in Engeland publiceerde. Hoe Nederland zich vrolijk maakte over Van het Reves ambities (Simon Vinkenoog op het Boekenbal: `Goedenavond dames en heren; good evening mr. Van het Reve'). En hoe Van het Reve na zuinige kritieken en slechte verkopen in 1957 terugkeerde naar Nederland, om vier jaar later zijn comeback te maken met Tien vrolijke verhalen.

,,In het Engels is Van het Reve geen Engels en geen Van het Reve'', luidde het commentaar van Reves protégé Henk Romijn Meijer; terwijl de dichter-vertaler Pé Hawinkels The Acrobat... als volgt afserveerde: ,,Het is ontzettend slecht Engels, en het gaat over oer-Hollandse toestanden.''

Een mythe was geboren. Vanaf het begin van de jaren zestig werd G.K. van het Reve gezien als een typisch Hollandse schrijver die onbegrijpelijk was in een andere taal; als een eenling in de Nederlandse literatuur die onvergelijkbaar was met buitenlandse collega's. Zelfs Reve leek erin te geloven. ,,Mijn werk is oer-Hollands'', zei hij in 1966 tegen Elsevier, ,,welbeschouwd ben ik een christelijk-nationaal schrijver.'' En tegen toenmalig HP-journalist Tom Rooduijn zei hij vijftien jaar later over zijn werk: ,,Het heeft een universele geldigheid, net als Toergenjev. Terwijl dat óók typisch Russisch is.''

De weg naar de hel is geplaveid met consequentie. Niet verwonderlijk dus dat Reve in andere interviews heeft uitgeweid over zijn voorbeelden en zijn plaats in de literaire traditie. Hij verklaarde zich schatplichtig aan Toergenjev en Nabokov, aan Céline en Flaubert, aan Andersen en Schopenhauer (,,hij geeft een expertise van de genadeleer die grootser, helderder en eerlijker is dan de apologie van welke christelijke kerk ook''). Als Nederlandse schrijver noemde hij zich een erfgenaam van Multatuli en E. du Perron, en in W.F. Hermans zag hij een geestverwant (,,in de treurnis van de Nederlandse binnenkamer ben ik zijn meester''). Maar het meeste verwantschap voelde hij toch met de tweehonderd jaar oude traditie van de zwarte romantiek, ,,geschrijf over seks, drank, dood, graf, wreedheid en religie'' (zie figuur 1).

Wie het werk van Reve in dit licht leest – of het nu het `onvertaalbare' De avonden is, of het moderne sprookjesboek Lieve jongens – ziet hoezeer het deel uitmaakt van de wereldliteratuur (zie figuur 2). Alle pijlen leiden naar Reve; hij is de Sint Sebastiaan van de Nederlandse literatuur. Frits van Egters zou niet hebben bestaan zonder Vestdijks Mijnheer Visser en Célines Bardamu; het levensgevoel dat uit De avonden spreekt is terug te vinden in het werk van J.D. Salinger, Ernest Hemingway en de Britse angry young men uit de jaren vijftig. Het is overigens opvallend dat de mythe van Reves `hollanditude' pas na zijn verblijf in Engeland ontstond. Bij het verschijnen van De avonden schreef Hermans nog over ,,een nationale roman van internationale allure'' en de criticus P.A. Neeteson over ,,een Sartre met een hazenhart op klompen, hoewel zijn stijl meer aan Camus doet denken.''

Gerard Reve mag dan een uniek schrijver zijn, een literaire loner is hij niet. In de Nederlandse literatuur heeft hij evenveel voorlopers als navolgers, en met het typisch Hollandse karakter van De avonden valt het reuze mee. Mits goed vertaald en aan de man gebracht – de recente promotie van Hermans' Dunkelkammer von Damokles in Duitsland is een lichtend voorbeeld – zou het net zo goed een universeel succes kunnen zijn als Vaders en zonen van de o zo Russische Toergenjev. Voor een Nobelprijs is het te laat, maar postuum lonkt voor de Hollandse volksschrijver de wereldroem. Per slot van rekening hangt Van Goghs schilderij De Aardappeleters ook in huiskamers van Tokio tot San Francisco.

    • Pieter Steinz