Zedenschets Westerpark

Het begon als een gang bang in een volkswijk. Veertien jongens, allochtonen en autochtonen in leeftijd tussen negen en zestien jaar, verkrachtten verscheidene malen een zwakbegaafd meisje van dertien jaar in het Amsterdamse stadsdeel Westerpark. Nadat de pleegouders van het meisje na enkele maanden, het speelde rond de jaarwisseling 1999/2000, aangifte hadden gedaan, kwam er een carrousel van hulpverlening in beweging om de zaak te behandelen, georganiseerd door het stadsdeel. Uit het `Interne Evaluatierapport Zedenzaak Westerpark', dat eergisteren openbaar is gemaakt nadat de affaire in het weekeinde in de publiciteit was gekomen, blijkt een onthutsend beeld van bestuurlijk gepruts en een zedenschets van het onvermogen in de lokale hulpverlening. De aandacht ging naar begeleiding van de daders en naar het buiten de media houden van informatie die zou kunnen leiden tot negatieve beeldvorming over de buurt. En, oh ja, de toestand van het slachtoffer en de positie van haar familie werden over het hoofd gezien.

Het verbluffendst is wat er allemaal is opgetuigd om de zaak te behandelen. Er werd een projectorganisatie gevormd met een stuurgroep, een kerngroep, een projectgroep en een projectleider. Er waren bijeenkomsten waarbij alle mogelijke betrokkenen op het gebied van hulpverlening, stadsdeelbestuur, justitie, politie, jeugdzorg, reclassering, onderwijs, minderheden en welzijn betrokken waren. Uren en uren moet er zijn vergaderd, er zijn gesprekken met de ouders en met de verdachten georganiseerd, er is aandacht voor seksuele voorlichting op basisscholen, leren omgaan met normen en waarden, weerbaarheidstrainingen en zedencursussen. Na anderhalf jaar komt er een evaluatie waarin mismoedig wordt vastgesteld dat het project een aaneenschakeling is van communicatiestoornissen, knelpunten met de privacywetgeving, organisatorisch onvermogen en traagheid bij het openbaar ministerie. En, oh ja, zorg en hulp voor het slachtoffer is pas in een laat stadium aan de orde gekomen.

De aanbevelingen betere informatievoorziening, de instelling van een regiegroep, de opstelling van buurtveiligheidsplannen en opvoedcursussen voor de ouders doen het ergste vrezen bij de afwikkeling van een eventuele volgende verkrachtingszaak in het stadsdeel Westerpark.

De voorzitter van het stadsdeel erkent dat de aansturing van de zedenzaak is mislukt, maar verdedigt zich door te zeggen dat men een volksgericht wilde voorkomen. Het is de politieke correctheid als hoogste vorm van bestuur. Wat men op het stadsdeelkantoor van Westerpark niet begrijpt, is dat het een slecht idee is om informatie met opzet buiten de openbaarheid te houden. Nog pijnlijker is het om vast te stellen dat de beoogde hulpverlening verstrikt is geraakt in een woud van oeverloos overleg, zonder enig tastbaar resultaat. Terwijl het toch tamelijk simpel is: er heeft een zedenmisdrijf plaats, de daders moeten worden bestraft, het slachtoffer begeleid. Acht van de veertien daders zijn inmiddels voorgekomen, de hoogste straf was vier maanden cel, anderen kregen vijftig uur leerstraf. Het slachtoffer is in een jeugdinrichting geplaatst.