Vijf claims wachten op commissie oorlogskunst

Morgen spreekt de Tweede Kamer over de teruggave van oorlogskunst. Het kabinet stelt verruiming van de voorwaarden voor.

R. Ekkart, voorzitter van de Commissie Herkomst Gezocht, is tevreden. Vrijdag besloot het kabinet om vrijwel alle aanbevelingen van zijn commissie over te nemen en een genereuzer beleid te voeren bij de teruggave van oorlogskunst. Naar verwachting zal dit besluit morgen bij de behandeling in de Tweede Kamer op weinig weerstand stuiten. Als het beleid wordt goedgekeurd, kan de door staatssecretaris Van der Ploeg van OCenW ingestelde restitutie-commissie, die zal adviseren over verzoeken tot teruggave van kunst, in januari aan de slag. Vijf kunstclaims wachten nu op een beoordeling door deze commissie. Sinds 1998 werden door het ministerie van OCenW al diverse claims afgehandeld en zeven kunstwerken teruggegeven aan particulieren.

Volgens het nieuwe beleid maken ook claims die na de Tweede Wereldoorlog door de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) zijn afgewezen, nog een kans. Alleen aan formele schikkingen met de staat of aan rechterlijke uitspraken van kort na de oorlog wordt niet meer getornd. Verder worden alleen kunstwerken teruggegeven die door de Duitsers zijn geconfisqueerd of onder dwang aan hen werden verkocht.

Het overgrote deel van de 4217 kunstvoorwerpen die na de oorlog uit Duitsland werden gerecupereerd, is tijdens de oorlog in Nederland vrijwillig aan de Duitsers verkocht. Deze voorwerpen blijven in de rijkscollectie en kunnen niet meer worden geclaimd. Alleen als zo'n kunstwerk al eerder van joden was geroofd, kan er nog aanspraak op worden gemaakt.

In overeenstemming met de aanbevelingen van de commissie-Ekkart besloot het kabinet om kunstverkopen door joden in Nederland vanaf mei 1940, in Duitsland vanaf 1933 en in Oostenrijk vanaf 1938 als `onvrijwillig' te beschouwen. Volgens R. Ekkart is dit belangrijk omdat zich in de rijkscollectie kunst bevindt die tijdens de oorlog weliswaar vrijwillig aan de Duitsers is verkocht, maar in de jaren dertig toebehoorde aan Duitse of Oostenrijkse joden die er onder dwang afstand van moesten doen. Zo is er een schilderij dat in 1939 in Oostenrijk door de nazi's is geroofd, in de oorlog in Nederland is verkocht aan een Duitser en na de bevrijding gerecupereerd. Dit schilderij wordt nu door de Oostenrijkse familie geclaimd.

Slechts bij één van de aanbevelingen houdt de regering een slag om de arm. Joden die onder dwang kunstwerken aan de Duitsers hadden verkocht, konden die na de oorlog voor hetzelfde bedrag terugkopen van de Nederlandse staat. De commissie-Ekkart bepleitte om mensen die destijds afzagen van zo'n terugkoop daar nu weer de gelegenheid toe te geven. Maar de regering wil niet terugkomen op zaken die na de oorlog fatsoenlijk zijn afgehandeld. Alleen als toen onzorgvuldig is omgesprongen met een claim die nu opnieuw wordt ingediend, mag de restitutie-commissie dit laten meewegen bij haar oordeel over de rechtmatigheid van die claim.

Ekkart verwacht dat er zo toch voldoende mogelijkheden zijn om in bepaalde gevallen een terugkoop nog toe te staan. ,,De commissie Herkomst Gezocht zal de behandeling van de restitutieverzoeken nauwlettend volgen. Als wij vinden dat zaken in het slop raken, kan dat betekenen dat wij met scherper geformuleerde aanbevelingen moeten komen.''

De terugkoop van kunstwerken zal zeker een rol spelen bij een van de vijf kunstclaims die nu wachten op een beoordeling: de claim van de erven Gutmann. Dit is de meest omvangrijke en geruchtmakende claim waarover de restitutie-commissie zich moet buigen. Het gaat om de kunstcollectie van het in 1943 in concentratiekampen vermoorde echtpaar Friedrich en Louise Gutmann uit Heemstede. Van hun schilderijen en toegepaste kunst, die zij in 1941 en 1942 onder dwang aan de Duitsers verkochten, werd later een deel gerestitueerd door de SNK. Maar er bleef ook een aanzienlijk deel in rijksbezit. Daarbij bevinden zich negen schilderijen die de dochter van het echtpaar, Lili Gutmann, na de oorlog niet wilde terugkopen. Bovendien zijn er ruim honderd voorwerpen, zoals kostbare antieke meubels en serviezen, waarvan pas onlangs aan het licht kwam dat ze afkomstig zijn uit de collectie Gutmann.

De kleinzoon van het echtpaar, Nick Goodman uit Los Angeles, diende drie jaar geleden een claim in voor al deze voorwerpen. De restitutie-commissie moet nu uitmaken of de negen schilderijen en de overige toegepaste kunst voor terugkoop of teruggave in aanmerking komen. Nick Goodman wil niet betalen voor zijn familiebezit omdat volgens hem het geld dat de Duitsers er in de oorlog voor betaalden nooit aan zijn familie ten goede is gekomen. Goodman is sceptisch over de instelling van de restitutie-commissie: ,,Alweer een commissie. De Nederlandse overheid zou onze eigendommen eindelijk eens moeten retourneren in plaats van almaar commissies te benoemen. Ik vind het ook onjuist dat in die restitutie-commissie het World Jewish Congress en de families die hun bezit opeisen niet vertegenwoordigd zijn.''

De restitutie-commissie wordt gevormd door de juristen J.M. Polak, B.J. Asscher, J. Leyten en H.M. Verrijn-Stuart, de kunsthistoricus E. van Straaten en de historicus J.Th.M. Bank. Het Centraal Joods Overleg (CJO) heeft bezwaar aangetekend tegen het mandaat van de commissie, die alleen claims mag beoordelen op verzoek van OCenW. Het CJO vindt dat de commissie zich ook op verzoek van particulieren of joodse organisaties zou moeten uitspreken.

De kritiek van het CJO wordt niet gedeeld door Ekkart: ,,Het is logisch dat de commissie zich beperkt tot claims die voldoen aan de nu gestelde regels. Met deze taakopdracht is voorkomen dat ze bedolven raakt onder het werk.''

Dossier oorlogskunst: www.nrc.nl