Kunstbeleid is meer dan subsidies verstrekken

Het is een oude gedachte: kunstbeleid moet zich beperken tot het verstrekken van subsidies. Ook de begroting 2002 van staatssecretaris Van der Ploeg, die binnenkort in de Tweede Kamer besproken wordt, is op deze gedachtegang gebaseerd. Maar dit uitgangspunt schiet tekort. Immers, enkele culturele conglomeraten domineren grote delen van de mondiale markt en dat is uit democratisch oogpunt een slechte zaak.

Kijk naar Nederland. De bioscoop-uitbater Pathé, Mojo, het impresariaat voor popmuziek, Endemol, de keten van boekwinkels van Donner het zijn allemaal oligopolistische marktpartijen die selecteren welk artistiek aanbod met stip binnenkomt en die de sfeer creëren waarbinnen de culturele communicatie zich afspeelt. Dat is niet toelaatbaar. Een te sterke marktpositie van één of enkele partijen maakt het voor andere moeilijk om ook gehoord, gezien of gelezen te worden. Lucianna Castellani, voormalig lid van het Europees parlement, heeft ooit gezegd dat één onderneming op cultureel terrein niet meer dan 25 procent van de markt mag beheersen.

Die 25-procentnorm is een aantrekkelijke propositie. De economische vrijheid-blijheid-gedachte heeft immers z'n langste tijd gehad. Het ligt voor de hand, dat de bewaking van het percentage bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit komt te liggen. Ook is afstemming in Europees verband nodig.

Artikel 151 van het Verdrag van Amsterdam zegt dat de lidstaten hun eigen cultuurbeleid mogen voeren, maar er is ook een gemeenschappelijke taak voor de Unie weggelegd. De Europese Unie moet bij alles wat ze doet culturele aspecten mede in beschouwing nemen, ze moet bijdragen aan de bloei van de culturen van de lidstaten en het gezamenlijke culturele erfgoed voor het voetlicht brengen. Dat is een interessant uitgangspunt voor cultuurbeleid, dat individuele lidstaten nooit alleen voor elkaar kunnen krijgen. Het is daarom zo jammer dat geen enkele Europees Commissaris van Cultuur ooit zelfs maar een `praatpapier' op tafel gelegd heeft over hoe die geestverruimende rol van de EU moet worden opgevat. En ook Nederland heeft daar nooit op aangedrongen.

De kern van het Europees cultuurbeleid zou gelegen moeten zijn in het bevorderen van de uitwisseling op het gebied van alle kunsten, kriskras door Europa. Een voorbeeld: in Europa worden honderden films per jaar gemaakt die nauwelijks de grens van het eigen land passeren. De meeste van die films zijn relatief goedkoop geproduceerd, maar verdienen hun investering zelfs niet terug op de eigen Europese thuismarkt, waar vijfhonderd miljoen mensen wonen. Dat is bizar, en cultureel gesproken tragisch. De productie van films in de Europese landen is dus niet het probleem. De distributie, daar schort het aan.

Dat probleem kan worden ondervangen door de oprichting van een European Film Service. Die moet de rechten kopen van honderden in de diverse Europese landen gemaakte films, ze in veel talen vertalen, ondertitelen en nasynchroniseren en last but not least een marketingplan voor heel Europa ontwerpen. Per land worden twee of drie distributeurs geselecteerd die die films gratis krijgen en vervolgens verhuren aan bioscopen, televisie en videotheken voor prijzen die lager zijn vergeleken bij het Hollywoodproduct. Die distributeurs houden eenderde van de opbrengsten, tweederde gaat naar de European Film Service, die daarmee weer films kan aankopen. De Europese Commissie investeert de eerste jaren enkele honderden miljoenen euro's in deze Service, en eenmalig nog eens honderd miljoen euro om het hele proces van stonde aan digitaal te laten verlopen.

De naderende uitbreiding van de EU met landen uit Oost- en Midden-Europa vraagt eveneens om een Europees cultuurbeleid. Met deze uitbreiding in zicht moet ruimte gemaakt worden voor culturele contacten over en weer, inclusief Rusland en Oekraïne. Hoe anders kunnen deze volken hun verscheidenheid behouden en toch een eenheid worden? Aan het Nederlandse, en ook aan het Europese cultuurbeleid schijnt dit totaal voorbij te gaan. De prijs zal hoog zijn als het begrip tussen de vele volken en culturele stromingen in Europa niet tot wasdom kan komen. Hier ligt een taak voor Europese informele netwerken van kunstenaars en culturele instellingen, die nu door de Europese Commissie volstrekt ondergewaardeerd worden.

Na Nederland en Europa, is de wereld de derde trap in het ontbrekende cultuurbeleid. In die wereld draait alles om vrijhandel, georkestreerd door de WTO. De economische vrijheid plaveit de weg voor culturele conglomeraten, en veroorzaakt hetzelfde probleem als hierboven genoemd, maar dan op mondiale schaal. Daar moet dus mondiaal tegen worden opgetreden en wel door zo'n veertig ministers van Cultuur uit alle delen van de wereld, die vinden dat cultuur niet thuishoort onder de paraplu van de mondiale handelsorganisatie WTO. Zij hebben onlangs gepleit dat er een Internationaal Verdrag komt dat landen het recht geeft om hun culturele diversiteit te beschermen, met alle maatregelen die ze nuttig achten, ook dus maatregelen die indruisen tegen de `eetlust' van culturele conglomeraten.

Nederland weigert zich bij dit initiatief aan te sluiten, wat kortzichtig is. Immers, de Verenigde Staten stellen alles in het werk om, op grond van hun opvatting over vrijhandel, in het kader van de WTO landen te verbieden hun culturele verscheidenheid te beschermen. Dat zou het einde betekenen van een van die beschermingsmaatregelen van culturele verscheidenheid, en dat is de Nederlandse subsidiepolitiek. Inderdaad, kunstbeleid is subsidiebeleid, maar ook meer dan dat. Kunstbeleid moet tevens de condities scheppen opdat culturele diversiteit en culturele dialoog werkelijk kunnen gedijen.

Giep Hagoort en Joost Smiers zijn verbonden aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht.

    • Joost Smiers
    • Giep Hagoort