Gelden voor achterstand beter verdelen

De opleiding van de ouders moet het enige criterium worden waarop de overheid scholen extra geld toekent voor kinderen met een leerachterstand. Nu wordt nog gekeken naar opleiding én achtergrond van ouders (autochtoon/allochtoon, inkomensniveau).

Dit stelt de Onderwijsraad in een vandaag verschenen advies voor staatssecretaris Adelmund. Zij heeft inmiddels kritisch gereageerd op het rapport.

In de huidige `gewichtenregeling' geld waarmee onderwijsachterstanden worden bestreden krijgt een kind extra `gewicht' (geld) op basis van de opleiding én de herkomst van de ouders: voor een allochtoon kind met laag opgeleide ouders krijgt een school bijna twee keer (1,9) zoveel geld als voor een autochtoon middenklasse kind. Een autochtoon kind met laag opgeleide ouders telt voor 1,25. Schippers- en zigeunerkinderen tellen voor respectievelijk 1,4 en 1,7. De regeling geldt voor kinderen van vier tot twaalf jaar.

Nederland telt 1,5 miljoen basisscholieren, van wie 450.000 met een achterstand. Meer dan de helft is van Nederlandse afkomst.

De raad vindt deze verdeling niet rechtvaardig. ,,Een Turks kind met hoog opgeleide ouders heeft waarschijnlijk geen achterstand en dus daarvoor geen extra geld nodig'', zegt een woordvoerder. Het adviesorgaan pleit ervoor scholen extra geld te geven voor kinderen van laag opgeleide ouders (maximaal basisonderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs) en het land van herkomst als criterium te laten vallen.

In het advies stelt de raad ook voor om een taalachterstand voortaan los te zien van een onderwijsachterstand. Daarom moeten leerlingen die oorspronkelijk niet uit Nederland komen tijdens de basisschool driemaal (op zeven-, tien- en twaalfjarige leeftijd) een taaltest afleggen. Op basis van de resultaten kan beoordeeld worden of zij extra taallessen moeten krijgen. Dat kan ook gelden voor allochtone kinderen met hoog opgeleide ouders.

Daarnaast stelt de raad voor dat scholen zelf moeten kunnen bepalen hoe zij het geld voor het bestrijden van onderwijsachterstanden inzetten. Nu mag het extra geld alleen omgezet worden in formatieplaatsen. Zo krijgen scholen die maar een klein aantal achterstandskinderen hebben ook mogelijkheden deze aan te pakken.

De raad pleit ervoor naar verhouding het meeste te besteden aan de leeftijdsgroep van 2 tot 6 jaar. Op deze leeftijd is investeren in de (taal)ontwikkeling het meest effectief.

Adelmund laat in een brief aan de Tweede Kamer weten veel vragen te hebben bij het advies. Zo moet bijvoorbeeld wel de garantie bestaan dat de taaltoetsen onder gelijke objectieve omstandigheden worden afgenomen. ,,Verder moet voorkomen worden dat scholen die voortgang boeken bij het wegwerken van taalachterstand daar in financiële zin voor gestraft worden'', schrijft Adelmund.