Dag, Rotterdam!

Zeer tegen de zin van mijn moeder ben ik in Amsterdam getrouwd, niet in mijn geboortestad Rotterdam. Volgens haar behoorde een meisje vanuit het ouderlijk huis te trouwen, liefst in het wit en zo mogelijk `achter het koperen hek' van de Sint Laurenskerk, waar men in een afgescheiden ruimte voor een aanzienlijk bedrag kon overtrouwen. Intuïtief stelde ik mijn aanstaande echtgenoot, die al eerder getrouwd was geweest en de wens te kennen had gegeven zonder ophef tegelijk met andere paren voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te verschijnen, hiervan niet op de hoogte. Kort voor wij in ondertrouw zouden gaan kwam hij echter op zijn besluit terug, ofschoon het hem niet zou weerhouden zich ostentatief met donkere regenjas en hoed in de trouwzaal van het hoofdstedelijk stadhuis te vertonen. Ikzelf daarentegen had me een voor die tijd hoogstmodern mantelpak aangeschaft – lichtgrijs met een smal roze streepje – bestaande uit een opvallend getailleerd jasje boven een halflange kokerrok en gecompleteerd door een grote, feestelijke hoed van gevlochten stro.

De dag voor de eerste juni, de trouwdatum, verliet ik het huis van mijn ouders en stapte nogal opgewonden met een koffertje en de hoed in een papieren zak op de tram naar het Hofpleinstation. Zoals gewoonlijk sinds Vic in Amsterdam woonde en ik bij hem de weekends doorbracht onder voorwendsel bij vrienden te logeren, vergezelde mijn vader mij naar de trein, waar wij uitvoerig afscheid plachten te nemen. Ditmaal deden wij het zwijgend, zonder de gebruikelijke grapjes, en toen ik uit het coupéraam zag hoe hij op het lege perron de trein bleef nakijken, verflauwde de opwinding aanmerkelijk en staarde ik met een gevoel van opkomend heimwee, dat nooit meer is overgegaan, naar het voorbijglijdende landschap, dat Rotterdam onherroepelijk van mijn nieuwe woonplaats scheidde.

Die nacht sliep ik inderdaad bij vrienden, deels uit de huichelachtige overweging dat ik 's ochtends niet door mijn ouders in Vic's huis en négligé wilde worden aangetroffen (mijn moeder had de hebbelijkheid overal altijd te vroeg te komen), deels om Vic en de bruiloftsgasten te verrassen met mijn trouwuitrusting.

Daar de nauwe rok mij verhinderde me snel te verplaatsen, wandelde ik 's morgens met ingehouden tred van mijn logeeradres via de Koningslaan en de Oranje Nassaulaan, die parallel met het Vondelpark liepen, naar het huis waar ik voortaan zou wonen. Het leek een zonnige, frisse dag te worden met een matblauwe hemel, en de koele wind, die uit het park de geur van pas in bloei gekomen jasmijn meevoerde, speelde met mijn frivole hoed, die voortdurend van mijn hoofd dreigde te waaien. Mijn entree in de kamer waar zich een klein aantal genodigden had verzameld, had het beoogde resultaat. Wel fluisterde mijn moeder me gebelgd in het oor dat er geen bruidsboeket was en heerste er een nerveuze stemming om het uitblijven van een van mijn beide getuigen, Jan Campert, tot bijna gelijktijdig met het voorrijden van de auto's zijn telegram kwam, met de profetische woorden: `Begeven ons rechtstreeks naar executieterrein stop Jan'. Hieruit maakten wij op dat hij en zijn toenmalige vrouw Clara Eggink de trein in Den Haag hadden gemist en na aankomst in Amsterdam meteen naar het stadhuis zouden gaan.

Nadat de ernstige heer achter de groene tafel ons op het naleven van de huwelijksplichten had gewezen, stonden we eerder dan we gedacht hadden weer op de Oudezijds Voorburgwal, waar Joop Colson van De Telegraaf had postgevat om zijn camera op ons te richten. Omdat de auto's voor langere duur besteld waren dan nodig bleek te zijn, reden we om de tijd vol te maken in optocht langs de Amstel, hetgeen niet aan mijn moeder was besteed die, zoals ik naderhand hoorde, gedurende de rit haar hart had gelucht over Vic's uit de toon vallende kleding en het ontbreken van `een bloemetje', wat zij hem zo kwalijk nam dat zij hem altijd hardnekkig `meneer Van Vriesland' is blijven noemen.

Van de lunch aan de lange, uitgeschoven tafel in de eetkamer, met de schotels en de bruidstaart van Dikker en Thijs, bewaar ik nog altijd de foto's van de mensen die met ons aanzaten en die nu allemaal allang gestorven zijn. In de loop van de middag zou het feest op uitnodiging van de schrijver Johan van der Woude in zijn huis in Bilthoven met het hele gezelschap worden voortgezet. Alleen mijn ouders waren er niet bij. Volgens Vic zouden ze zich er toch niet op hun gemak hebben gevoeld, en dus spraken we af dat ik hen er op een gegeven ogenblik aan zou herinneren dat het tijd werd voor onze huwelijksreis naar Vlieland, hoewel die pas de volgende dag vanuit Bilthoven zou beginnen.

Tot mijn grote spijt en schaamte ben ik zo laf geweest aan deze uitvlucht mee te doen, en terwijl ik hen uitliet en we in de gang afscheid namen, beloofde ik dat ik elke week een dag naar hen toe zou komen, wat ik ook tot hun late dood heb gedaan. Boven aan de trap bleef ik naar hun voetstappen luisteren, en toen mijn vader op de overloop van de buren `Dag, schat!' riep, riep ik `Dag, schat' terug. Ik had evengoed `Dag, Rotterdam' kunnen roepen.

Eind november verschijnt `Verliefd op vroeger', een nieuwe bundel van de korte verhalen van Tonny van der Horst die eerder in NRC Handelsblad verschenen. Uitg. Atlas, 144 blz. ƒ31,95. ISBN 90 450 0643 X

    • Tonny van der Horst