Het oudste Nederlandse woord is wad

Je zou denken dat het Nederlands tijdens de Tachtigjarige Oorlog veel woorden uit het Spaans heeft geleend, maar het blijken er juist heel weinig te zijn. Bovendien hebben Spaanse leenwoorden uit die periode niets met de oorlog te maken, maar voornamelijk met scheepvaart en handel. Het gaat om woorden als cargo, casco, passaat en indigo. Kennelijk weerhield de Tachtigjarige Oorlog de Nederlanders er niet van om handel met Spanje en de Spaanse koloniën te drijven.

Tot voor kort werd ook aangenomen dat er in de Franse tijd (1795-1813), toen de Lage Landen deel uitmaakten van het Franse rijk, weinig Franse woorden in het Nederlands waren overgenomen. Men had immers een hekel aan de bezetter. Maar niets blijkt minder waar, want in geen enkele andere periode heeft het Nederlands zoveel woorden uit het Frans overgenomen als toen. In het eerste kwart van de 19de eeuw zijn bijna vijfhonderd Franse leenwoorden in Nederlandse woordenboeken vastgelegd. Het gaat daarbij voornamelijk om woorden die betrekking hebben op de overheid, zoals arrondissement, circulaire en douane.

Tot deze conclusies komt de slaviste en etymologe Nicoline van der Sijs (46), die vanmiddag in Leiden zou promoveren op haar dissertatie Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen.

Van der Sijs, die onder meer hoofdredacteur is van het etymologisch woordenboek van Van Dale, stopte een representatieve selectie van de Nederlandse woordenschat, ruim 18.000 woorden, in een database. Zij zocht zo nauwkeurig mogelijk hun vroegste vindplaats na, waar ze vandaan komen en wat ze betekenen.

Het is voor het eerst dat de voornaamste woorden uit de Nederlandse woordenschat in chronologische volgorde zijn gezet. Het woord wad, `doorwaadbare plaats', blijkt het oudste Nederlandse woord te zijn. Het is in 107 n.Chr. opgetekend door de Romeinse geschiedschrijver Tacitus.

Van der Sijs wil aantonen dat de inzet van digitale technieken de kwaliteit van het onderzoek naar de herkomst van woorden aanzienlijk kan verbeteren. Door haar chronologisch overzicht is veel beter duidelijk geworden in welke periode reeksen woorden zijn ontstaan. Op grond daarvan kunnen ook bepaalde hardnekkige etymologieën naar het rijk der fabelen worden verwezen. Zo wordt snoeshaan, dat in 1617 voor het eerst is aangetroffen in de betekenis `snuiter', geregeld herleid tot het Indonesisch soesoehoenan, wat ooit de titel was van de hoogste Javaanse vorst. Maar de eerste leenwoorden uit het Indonesisch dateren pas van krap twintig jaar daarvoor. Zo'n ingrijpende betekenisverandering in zo'n korte periode noemt Van der Sijs ,,uitermate onwaarschijnlijk''.

    • Ewoud Sanders