Een recidivist die mag blijven

Is het een zeker zelotisme, een mogelijk uit zijn calvinistische land van herkomst bewaarde gelijkhebberigheid, c.q. een stevig gevoel van morele superioriteit? Is het de geldingsdrang van een kleine man met een scherp verstand die de omstanders altijd wil frapperen? Hebben we weer eens te maken met iemand die graag van twee walletjes eet, zoals de verwijten in het afgelopen weekeinde klonken? Gaat het bij hem in voorkomende gevallen heel eenvoudig om een gebrek aan teamgeest en schiet hij een recidivist op dit stuk als lid van een kabinet ook daardoor soms tekort qua zelfbeperking in solidariteit? En werd dat deze keer mede veroorzaakt door ergernis over de zijns inziens te lage (dertiende) plaats die hem, wellicht door toedoen van fractieleider Melkert, is toegevallen op de ontwerpkandidatenlijst van de PvdA? Mogen we zijn ,,gerichte indiscretie'', vorige vrijdag voor de tv bij Barend en Van Dorp (,,Ik ben van van het begin af aan tegenstander van de bombardementen op Afghanistan geweest''), dus ook zien als een bewuste uiting van politieke woede en als een signaal voor de linkervleugel van zijn partij?

Van alles wat, zullen we maar zeggen. Veteraan-minister Jan Pronk heeft op dit gebied voor zijn eigen renommee gezorgd in de vier kabinetten waarvan hij deel uitmaakte sinds 1973, drie keer op Ontwikkelingssamenwerking en nu op VROM. In het kabinet-Den Uyl (1973-'77) moest Van der Stoel op Buitenlandse Zaken vaak op zijn hoede zijn voor zijn jonge partijgenoot, die de linkervleugel van de PvdA af en toe openlijk liet weten dat hij wel een progressiever buitenlands beleid voorstond. In het derde kabinet-Lubbers (1989-1994) lag Pronk geregeld in de clinch, binnen en buiten het kabinet, met de CDA'er Van den Broek, die in dat kabinet op Buitenlandse Zaken zat. Vooral tijdens de Golf-oorlog (in 1991) moest Van den Broek de tanden geregeld bloot maken, wat hem overigens redelijk goed afging.

Het is maar een greep uit een lange reeks voorbeelden. Nog vrij vers in het geheugen liggen de openlijke twisten tussen Pronk en de D'66'er Van Mierlo, die in het eerste kabinet Kok ('94-'98) de eerste man op Buitenlandse Zaken was. Dat Pronk Van Mierlo al kort na diens aankomst, bij de opzet van de Herijkingsnota (over de departementale integratie van het buitenlands beleid), behoorlijk in de luren had gelegd was, zo men wil, niet meer dan een `interne coup'. Namelijk van een ervaren dossierkenner tegen een nieuweling die tevens vice-premier en partijleider was en niet sterk op Buitenlandse Zaken begon. Anders werd het met het door Van Mierlo uitgedragen kabinetsbeleid jegens Indonesië, dat Pronk op een PvdA-spreekbeurt onderuit haalde, wat een mooi progressief nummer op kosten van een collega betekende.

Nog anders, nog moeizamer, werd het tegen het einde van PaarsI, toen Pronk en Van Mierlo, ministers in een kabinet dat geacht wordt met één mond te spreken, met elkaar in debat gingen over het beleid in een dubbelinterview in een blad van het ministerie. Weer even later liet Pronk weten dat hij op de voorwaarden van het regeerakkoord van Paars II, géén 0,9 maar 0,8 procent van het BNP voor Ontwikkelingssamenwerking, geen vierde ministerschap op OS wenste. Pronk, die zelf naar VROM ging, liet daarmee per implicatie weten dat zijn partijgenoot Herfkens op Ontwikkelingssamenwerking dus met te weinig genoegen had genomen. Hij zou nadien trouwens, openlijk of via lekkages naar media, niet verborgen houden dat hij daar een ander, en beter, beleid zou hebben gevoerd dan zij.

Ach, en dan was er Kosovo en het NAVO-optreden. Daarover mochten de media binnen de korste keren aan de weet komen dat minister Pronk het eigenlijk niet eens was met het kabinetsbeleid. Nu zijn er dan de Amerikaanse-Britse militaire acties in (boven) Afghanistan, die het kabinet volledig steunt terwijl de heer Pronk openlijk opmerkt dat hij daar weliswaar vanaf het eerste begin tegen was maar niettemin geheel achter het kabinetsbeleid staat. We beluisteren de vegetariër die roept: geeft u de biefstuk maar door, ik blijf rustig verder mee-eten. We beluisteren ook iemand die zegt: mijn morele spiegel ligt wat hoger dan de uwe maar ik blijf bij u. En we beluisteren een man die verklaart: de eenheid van kabinetsbeleid is mooi, maar soms is het zicht op mijn afwijkende mening nóg mooier. In het bestuur van een voetbalclub wil er in zo'n geval nog wel eens een kop rollen, maar de raad van bestuur van de paarse polder doet zoiets af met: hoho, niet meer doen, Jan, dat hoort niet. Zou Jan Recidivus zich daarvan echt iets aantrekken? Nee toch. Hij weet de linkervleugel van de PvdA achter zich en hij weet hoezeer Kok en Melkert dat in hun overwegingen zullen laten gelden, een half jaar van de volgende verkiezingen.

Voor premier Wim Kok, de scheidende premier en partijleider, is deze kleine Pronkse geschiedenis extra bitter. Hij heeft zich met zijn kabinet een jaar geleden (vergeefs) zeer ingespannen om Pronk aan een mooie internationale functie (chef van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR) te helpen. Hij is, dat is geen geheim, zelf absoluut geen liefhebber van militair geweld. Hij mag nu meemaken dat Pronk zich mede op zijn kosten ter linkerzijde profileert als de humanitaire kampioen van het kabinet en roept: sliep uit, alle linkse mensen lachen je uit. Je mag de medemens niet zomaar het brood uit de mond stoten, maar in dit geval zou je toch wensen dat Kok een knipoog naar Melkert en de coalitievrienden zou geven en zou zeggen: weet je wat, beste Jan, ik vind dat je nu maar eens moest opstappen. Maar toegegeven, tussen droom en daad gaat ook zoiets kennelijk niet.

    • J.M. Bik