De daders begeleid, het slachtoffer vergeten

Een projectgroep stortte zich op een groep jongens die een meisje verkrachtte. De daders kregen leerstraf, het slachtoffer en haar familie een weekje vakantie.

Eind december 1999 wordt in het Amsterdamse stadsdeel Westerpark een dertienjarig, zwakbegaafd meisje, door een groep jongens tussen de 9 en 16 jaar belaagd in een steegje naast een bejaardenhuis. Ze wordt mishandeld, aangerand en meermalen verkracht. Het slachtoffer heeft een ontwikkelingsachterstand, ze bezoekt een speciale school en wordt al lang therapeutisch behandeld.

Februari 2000 durft het meisje haar mentor op school pas te vertellen wat er is gebeurd. Daarop doen de pleegouders aangifte. Na twee maanden komt de toenmalige stadsdeelvoorzitter ter ore dat er nog niets is gebeurd. Hierop zet het stadsdeel een `projectorganisatie' op, met als doel onrust in de buurt weg te nemen en te voorkomen dat deze zaken weer plaatsvinden. De organisatie bestaat uit: een stuurgroep, waarin zitting hebben: de stadsdeelvoorzitter, de wijkteamchef politie, de officier van justitie en de sectormanager Bureau Jeugdzorg Amsterdam. Een kerngroep met vertegenwoordigers van stadsdeel, politie, bureau jeugdzorg en Stichting Westerpark. Een projectgroep met instanties, verantwoordelijk voor sancties, zorg, hulp en preventieve activiteiten en met zogeheten `sleutelfiguren' uit de buurt. Het `project' start mei 2000.

Om te beginnen wordt `een zorgvuldig geregisseerde communicatiestroom' op gang gebracht, zoals in een Eind-evaluatierapport Zedenzaak Westerpark mei 2000-april 2001 staat beschreven, om de buurt niet te stigmatiseren en om ervoor te zorgen dat deze zaak niet `op een verkeerde manier' in de pers komt, ,,We wilden een volksgericht voorkomen'', zei stadsdeelvoorzitter A. Hoogland gisteren in een toelichting. Ze onderstreept dat de politie bij zedenzaken met minderjarigen adviseert de pers niet op de hoogte te stellen. Dat een deel van de jongens van buitenlandse komaf is, speelt daarbij geen rol, zegt Hoogland ,,met de hand op mijn hart''.

Omdat het om minderjarigen gaat, richt men zich in de eerste plaats op het onderwijs. Leerlingen van twaalf scholen zijn bij deze zaak betrokken. Vier basisscholen en acht scholen voor voortgezet en bijzonder onderwijs. Juni 2000 wordt een bijeenkomst georganiseerd `ter ondersteuning van deze scholen', vertegenwoordigers van zeven scholen komen.

Het stadsdeel laat onderzoeken of de scholen behoefte hebben aan ,,een goede basisopvoedingscursus waar seksualiteit en het omgaan met normen en waarden onderdeel van uit maakt''. Drie basisscholen tonen belangstelling. Het Marcanticollege, waar twee daders schoolgaan, heeft geen externe expertise nodig. ,,We hebben themalessen waarin ook seksualiteit vanuit een interculturele benadering aan bod komt.'' De jongens zijn op school in ,,een individueel project begeleid'', volgens het Marcanti.

Alle vijf de betrokken Marokkaanse ouders worden op de hoogte gehouden van de strafrechterlijke afhandeling. ,,Drie ouders meldden dat het meisje nog steeds rondloopt en de aandacht probeert te trekken van de betrokken jongens'', aldus het rapport. Bij deze ouders bestaat hierover `het nodige onbegrip'. Ook constateert de rapporteur: ,,Op twee na meldden de ouders erg geschrokken te zijn over het gedrag van hun kinderen''.

Bij alle activiteiten rond de daders zijn het slachtoffer en haar familie in de loop van het project `uit het oog verloren', zo staat in het evaluatierapport te lezen. Dit komt mede doordat bij de overdracht van taken van de stadsdeelvoorzitter sprake was van ,,een ernstige communicatiestoornis''.

In november 2000 neemt de pleegmoeder van het slachtoffer, volgens het rapport `zeer verbolgen', contact op met het stadsdeel: zij heeft niets gehoord van openbaar ministerie, stadsdeel of politie. De familie van het slachtoffer voelt zich bedreigd door buurtbewoners. Zij krijgen anonieme telefoontjes en er wordt `zomaar aangebeld', ze voelen zich meer dader dan slachtoffer. Volgens het stadsdeel zijn nu nog alleen politie en stadsdeel met deze zaak bezig.

Begin december komen de eerste twee verdachten voor de rechter. De familie wordt begeleid door politie. Half december 2000 wordt het slachtoffer, dat voor het volgen van aangepast onderwijs in een herkenbare Garskamp-bus moet reizen, bedreigd door een aantal jonge meisjes. Haar pleegmoeder wordt door een van de verdachten uitgescholden.

In februari 2001 biedt de politie het gezin een midweek-arrangement in een speciaal vakantiehuisje aan. April 2001 doet de rechter de eerste uitspraak in deze zaak, over twee van de veertien verdachten. Ruim twee jaar later, zijn uiteindelijk er van hen acht veroordeeld. De hoogste straf krijgt een zeventienjarige jongen: acht maanden, waarvan vier voorwaardelijk, wegens twee keer verkrachting in vereniging. Twee jongens krijgen onder meer 50 uur `leerstraf' en een van de jongens moet wegens openlijke geweldpleging acht dagen de cel in.

In april wordt volgens afspraak gestart met een evaluatie van het project. Het stadsdeel verwijt de Raad voor de Kinderbescherming, de Jeugdhulpverlening en het OM betrokkenen in deze zaak onvoldoende te hebben begeleid, te weinig informatie te hebben gegeven en onvoldoende bescherming te hebben geboden. De samenwerking tussen de instellingen was gebrekkig en het werk van de instellingen onder de maat. Ter illustratie wordt gezegd dat in sommige gevallen verscheidene hulpverleningsinstellingen contact hadden met een verdachte. ,,Al deze instellingen meldden dat het goed ging met hem, terwijl deze jongen op straat nog steeds storend gedrag vertoonde''.

Het is de instellingen maar ten dele gelukt om afdoende te zorgen voor sancties, hulp en zorg voor de daders en hun opvoeders. Daardoor is de kans op herhaling onvoldoende beperkt. De Raad van de Kinderbescherming laat weten dat de kritiek van het stadsdeel haar officieel niet heeft bereikt. Bureau Jeugdzorg Amsterdam wordt verweten niets of te weinig te hebben gedaan. Dit bureau laat desgevraagd weten dat niet zij formeel verantwoordelijk waren voor de hulp aan het slachtoffer, maar de gezinsvoogdij-instelling.

Het stadsdeel erkent dat het niet is gelukt op al deze punten voor enige `aansturing' te zorgen. Wel is het gelukt, zegt men, maatschappelijke onrust en `negatieve ressentimenten' te voorkomen.