Bij een erg dode meeuw

Met de vijfjarige Floris hand in hand op het verlaten uitgestrekte strand. Wandelen met hem maakt het strand groter. Een dode meeuw op onze weg naar de vloedlijn. Om hem van de dode vogel af te leiden vraag ik naar zijn nieuwe groep op school. Zo nieuw als in de eerste schooldagen zal zijn wereld nooit meer worden, denk ik.

Hij heeft de dode meeuw toch gezien. Nu moeten wij wel over de dood praten. ,,Dat is een meeuw, en die meeuw is dood hè?'' ,,Ja'', beaam ik, ,,die is heel erg dood.''

Van de meeuw rest slechts een geraamte met wat lusteloze veren. De herfstwind strijkt er overheen, er gaat een kale vleugelpen omhoog. Dan zakt-ie weer langzaam. Een vaag gebaar.

In de strakblauwe lucht krijst een schitterend witte meeuw. Hij zweeft trots hoog langs de duintoppen. Zachtjes zeg ik voor de dode meeuw: ,,Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.''

Floris kijkt me even aan, maar hij volgt zijn eigen gedachten: ,,Sommige mensen geloven dat die meeuw naar de hemel is gegaan.'' Na enige ogenblikken begint hij opnieuw, omdat ik nog met het beeld van de meeuwenhemel worstel: ,,Dode mensen en dieren gaan naar de hemel en daar is het dan fijn. Geloof jij in de hemel?''

Ik zeg ontwijkend dat ik het niet weet, maar dat het mooi is om dat te geloven. Mensen en dieren die elkaar terugzien. In gedachten nuanceer ik: alleen gewenste ontmoetingen dan. Geen pestkoppen of daders terugzien.

Het antwoord nu op zijn kindervraag. Ik moet ja of nee zeggen op geloven in de hemel. Ik krijg opnieuw uitstel want alweer afgeleid ziet hij een grote gebarsten schelp liggen. Hij raapt hem op en houdt hem tegen zijn oor. ,,Sommige mensen denken dat je de zee hoort ruisen in de schelp, maar je hoort je eigen bloed hè?''

Na een tijdje peinzend: ,,De mensen die in de hemel geloven, die geloven ook dat je de zee hoort in de schelp.''

    • Marijke Trotz Koning