Amerikaanse goedheid blijft in eigen land

Iedereen die een tijd in de Verenigde Staten verblijft maakt kennis met de goede eigenschappen van de Amerikanen en de vrijheid en de kansen daar. Die zijn er dan ook de voornaamste oorzaak van dat Amerika de geliefdste bestemming ter wereld is.

In de periode van 1973 tot 1976, toen ik in de Verenigde Staten studeerde, heb ik het inlevingsvermogen en de openheid, humor en inzet waarmee Amerikanen iedereen voor zich innemen, aan den lijve ondervonden. Ik woonde bij een Amerikaans gezin in Washington en raakte bevriend met mensen van verschillende religieuze overtuigingen. Ik ging met een katholiek gezin tijdens de kerst naar de mis en at met joodse vrienden een koosjere maaltijd bij de muziek van `Hawa nagila'. Ik heb nooit iets gemerkt van het racisme of de argwaan waar heel wat mensen met dezelfde achtergrond als ik in Europa mee te maken krijgen.

Hoe komt het dat deze `goede mens' in eigen land in het buitenland zo'n `vreselijke Amerikaan' wordt? Doordat de goedheid van de Amerikanen grotendeels binnen de grenzen van hun land blijft. De vrijheid, het recht, de democratie en rechtvaardigheid van de Verenigde Staten maken geen deel uit van de Amerikaanse buitenlandse politiek.

Wat heeft een bonte verzameling leiders van derdewereldlanden – Mao Zedong van China, Ho Tsji Minh van Vietnam, Gamal Abdel Nasser van Egypte, Fidel Castro van Cuba en Soekarno van Indonesië – met elkaar gemeen? Ze hadden bewondering voor de Amerikaanse Vrijheidsoorlog en geloofden in het ideaal dat de Amerikaanse president Wilson na de Eerste Wereldoorlog formuleerde: het zelfbeschikkingsrecht van onderworpen volkeren en koloniën. Ho Tsji Minh liet zich erdoor inspireren en drukte zich uit in aan de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring ontleende begrippen – het recht op leven, vrijheid en het streven naar geluk – toen hij Vietnam onafhankelijk van Frankrijk verklaarde.

Maar wat gebeurde er daarna? Toen die leiders aan de macht kwamen, ontdekten ze dat het land dat ze hadden geïdealiseerd, in werkelijkheid heel anders was en ze werden onverzoenlijke vijanden van Amerika. Midden in de Vietnamoorlog had senator J. William Fulbright commentaar op de `arrogantie van de macht' van de Verenigde Staten. In de Golfoorlog van 1991 vatte de vader van president Bush die mooi samen: ,,Er gebeurt wat wij zeggen.''

Door die dubbele moraal is bij de moslims in de Derde Wereld de woede jegens Amerika gegroeid. VN-resoluties over Irak worden uitgevoerd maar die over Israël niet. Wapens krijgen etiketten: de nucleaire macht van Pakistan heet `islamitisch' en vormt dus een bedreiging, terwijl India's `vegetarische bom' heel anders wordt opgevat.

Het terrorisme wordt min of meer benaderd als iets waar moslims het monopolie op hebben, ook al zijn er ook terroristen als de bommenlegger van Oklahoma, Timothy McVeigh, als Baruch Goldstein, de joodse kolonist die in 1994 negenentwintig Palestijnen doodschoot, en de Srilankese afscheidingsbeweging van de Tamil Tijgers, die de vroegere premier van India Rajiv Ghandi hebben vermoord.

Het feit dat de moslims in het Midden-Oosten het gevoel krijgen dat ze moeten boeten voor de misdaden tegen de menselijkheid die de Europese christenen in de Tweede Wereldoorlog de Europese joden hebben aangedaan, maakt het er niet beter op.

De meeste Amerikanen hebben geen idee van de averechtse werking van de Amerikaanse buitenlandse politiek op miljarden mensen in andere landen, omdat ze in hun eigen land nooit iets merken van wat daar gebeurt. Daar is op 11 september verandering in gekomen. De negentien zelfmoordkapers hebben het zelfvertrouwen van de Verenigde Staten ernstiger geschokt dan de Tweede Wereldoorlog, Vietnam en de Koude Oorlog bij elkaar.

Mushahid Hussain werkt als columnist in Islamabad.

© LAT-WP Newsservice