Prijs der Nederlandse Letteren is dringend aan herziening toe

De beste manier om in de toekomst commotie, zoals nu rond de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren aan Gerard Reve, te voorkomen is om het reglement te herzien, vindt Bert Vanheste.

Literatuur en politiek: het blijft een moeizame verhouding. Zoveel maakt de rel rond de schrijver Gerard Reve wel duidelijk. De kleinere, maar frequente rellen rond andere literaire prijzen (recent nog de weigering van Brouwers de uitreiking van de Ako Literatuurprijs bij te wonen) voegen daar de niet minder moeilijke verhouding met de commercie aan toe. De relatieve autonomie van de literatuur moet steeds opnieuw veroverd worden. En dat is maar goed ook. Want zonder die spanning is het de dood in de literaire pot.

Terecht wees Remco Campert er in een column op dat het blazoen van de Prijs der Nederlandse Letteren bezoedeld is. Een vijftigtal Vlaamse en Nederlandse schrijvers sluit zich daarbij aan. Met Campert zijn zij van mening dat de Vlaamse minister van Cultuur Anciaux de status van de Prijs onherstelbaar heeft beschadigd. Onherstelbaar? Is het niet vreemd dat onafhankelijke, deels republikeinse, auteurs een petitie ondertekenen die in feite stelt dat een handdruk van de koning essentieel is voor de erkenning van de betekenis van hun werk?

In werkelijkheid betekent deze affaire geen afgang voor het aanzien van de Prijs der Nederlandse Letteren. Integendeel, de Prijs is meer dan ooit verheven tot de belangrijkste literaire onderscheiding. En Reve mag nu verzuchten: er is niets tegen een rel als er maar Gods zegen op rust. Die rust dezer dagen onmiskenbaar op Reve. De circusjongen is koning geworden van het prijzencircus. Nu komt het erop aan die zegen ook te laten rusten op de Prijs. Dat kan wanneer de Nederlandse Taalunie besluit het reglement te herzien. Daar is twee jaar de tijd voor.

De Prijs der Nederlandse Letteren wordt toegekend door de Nederlandse Taalunie op advies van een onafhankelijke jury. De problemen beperkten zich in het verleden tot de uitreiking van de prijs. Daarover zegt het reglement slechts dat de uitreiking afwisselend in België en Nederland plaatsvindt.

Het lijkt wenselijk, zelfs onvermijdelijk, de uitreiking niet meer te koppelen aan het staatshoofd en er de Nederlandse Taalunie, dus de verantwoordelijke minister, mee te belasten. Weinigen betwijfelen dat Anciaux een dergelijke opdracht uit de weg zou zijn gegaan. De uitreiking helemaal loskoppelen van de politiek, lijkt mij in strijd met het doel ervan.

Natuurlijk kan er niets op tegen zijn de beide staatshoofden als gasten uit te nodigen. Koningen zijn er, zolang zij er zijn, om hun paleis te verlaten, zoals nog vorig jaar bleek toen Albert II een gewaardeerde bijdrage leverde aan een panelgesprek in de Brakke Grond in Amsterdam over de culturele samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen.

De Prijs kan worden uitgereikt tijdens een literaire manifestatie. Het werk van de schrijver komt centraal te staan. Want om het werk dient het immers te gaan. Het was een stijlvolle plechtigheid drie jaar geleden in het paleis in Den Haag. Maar kreeg het werk van Paul de Wispelaere er zoveel meer bekendheid door? De Prijs is al een `fin de carrière' onderscheiding en de uitreiking ten paleize versterkt nog de sfeer van een weerzien van bejaarden tijdens een begrafenis.

Het verplaatsen van de aandacht van het staatshoofd met in zijn of haar schaduw de auteur, naar het literaire werk, veronderstelt ook een verschuiving van de geldmiddelen. De prijs voor de schrijver (maak er 20.000 euro van) kan worden aangevuld met een aanzienlijk bedrag (80.000 euro?) voor de literaire manifestatie, een Vlaams/Nederlands literatuurfestival rond het bekroonde oeuvre. De Nederlandse Taalunie staat in voor de organisatie van die driejaarlijkse manifestatie, bijvoorbeeld één dag in het `bekroonde' deel van het Nederlandse taalgebied en een weekend, met de uitreiking van de prijs, in het andere deel.

Van de gelegenheid kan gebruik worden gemaakt om een ander achterhaald element van de Prijs bij te stellen. Ook de Vlamingen blijken grote twijfels te hebben ten aanzien van de traditie de Prijs om beurten aan een Vlaamse en een Nederlandse auteur toe te kennen. Ook hierover zwijgt het reglement. Tegenover zes miljoen Vlamingen staan immers zestien miljoen Nederlanders en Vlaanderen is inmiddels politiek, economisch en cultureel geëmancipeerd. Een Nederlandse vaderlijke houding staat haaks op het Vlaams zelfbewustzijn.

Er is veel voor te zeggen om de jury om de drie jaar een keuze te laten maken uit de schrijvers van het gehele Nederlandse taalgebied. Waarbij ook de vraag kan worden gesteld of, gezien de nadruk op het literaire werk, de schrijver nog in leven moet zijn. Het opheffen van die, niet in het reglement opgenomen maar in de praktijk totstandgekomen, eis zou toestaan recht te doen aan het oeuvre van de laatste van de `grote vijf' van de Nederlandse romankunst na de Tweede Wereldoorlog – Hermans, Claus en Mulisch gingen Reve voor. Het zou immers geen eenvoudige opgave zijn een jury samen te stellen die Louis Paul Boon niet zou voordragen voor de vernieuwde Prijs van de Verenigde Republiek der Nederlandse Letteren.

Bert Vanheste was lid van de jury voor de Prijs der Nederlandse Letteren. Hij is hoofddocent Vlaamse letterkunde aan de KUN.

Gerectificeerd

Anciaux

In het artikel Prijs der Nederlandse Letteren is dringend aan herziening toe (in de krant van maandag 19 november, pagina 7) staat: ,,Weinigen betwijfelen dat Anciaux een dergelijke opdracht uit de weg zou zijn gegaan.' Daar had moeten staan: ,,...dat Anciaux die opdracht niet uit de weg zou zijn gegaan.'

    • Bert Vanheste