Pak ook Iran, Saoedi-Arabië en Syrië aan

De Talibaan zijn op de terugtocht. Dit heugelijke feit betekent echter niet dat de strijd tegen het terrorisme gestreden is. Nu moeten de landen die terroristische organisaties steunen met geld en wapens worden aangepakt, menen Frans Weisglas en Geert Wilders.

De strijd tegen de Talibaan in Afghanistan lijkt sneller te worden beslecht dan door menigeen werd verwacht. Dat is goed nieuws, maar de strijd tegen extremisme en terrorisme is daarmee nog lang niet gewonnen. Sommige landen in het Midden-Oosten – zoals Saoedi-Arabië, Iran en Syrië – zijn de afgelopen maanden weliswaar in meer of mindere mate in de coalitie tegen terrorisme betrokken, maar zijn zelf ook bakermatten van intolerantie, extremisme en terrorisme.

Dat blijkt niet alleen uit hun binnenlandse politiek maar vooral uit hun ideologische, financiële en militaire steun aan islamitisch-extremistische organisaties in de regio zelf of in andere delen van de wereld. Zolang het westen deze landen niet ongeclausuleerd durft aan te spreken op dergelijk laakbaar gedrag, zal extremisme en terrorisme niet worden verslagen maar zich slechts verplaatsen van Afghanistan naar elders.

Het beste voorbeeld is Saoedi-Arabië. Het land wordt autocratisch bestuurd door een door ziekte gevelde koning over wiens opvolging nog wordt gestreden met alle mogelijke gevolgen voor de interne en regionale stabiliteit. Het land is de grootste olieproducent ter wereld en ook geopolitiek van onschatbaar strategisch belang. Het land wordt dan ook met fluwelen handschoenen benaderd, zowel door de VS als door Europa.

In tegenstelling tot in Europa woedt in de Amerikaanse media en politiek de laatste tijd een fel debat over de dubieuze rol die Saoedi-Arabië in de strijd tegen het terrorisme speelt. Kranten als de New York Times en de Washington Post staan vol kritische commentaren over de bevriende oliestaat. Fel wordt van leer getrokken tegen het feit dat Saoedi-Arabië toestemming weigert om vanuit in dat land gelegen Amerikaanse bases aanvallen op Afghanistan uit te voeren. Ook de weigering van dit land om mee te werken aan FBI-onderzoeken naar de voor het merendeel Saoedische daders van de aanslagen op 11 september, wordt veroordeeld. En er bestaat verbolgenheid over het feit dat de Saoedi's met hun oliedollars veruit de grootste financier ter wereld zijn van islamitisch-extremistische en terroristische organisaties.

Gezaghebbende senatoren als de democraat Joseph Liebermann en de republikein John McCain spreken publiekelijk in harde termen hun ongenoegen uit over de laakbare rol van het wahabistische koninkrijk aan de Arabische Golf, waar tachtig procent van de steun van Bin Laden vandaan komt en waar tot in het koningshuis sympathie voor Al-Qaeda bestaat. Al deze ongezouten kritiek leidde recentelijk zelfs tot een opmerkelijk excuus van de Amerikaanse president Bush aan de Saoedische kroonprins Abdullah voor de harde toonzetting van de Amerikaanse media.

In de islamitische republiek Iran woedt eveneens een interne machtsstrijd. Vriend en vijand weet dat de conservatieve havik en geestelijk leider Khamenei de werkelijke touwtjes in handen heeft en de buitenlandse politiek bepaalt. Zalvende woorden in de strijd tegen het terrorisme van de helaas machteloze president Khatami daargelaten, geeft het land openlijk toe de terroristische sjiitische Hezbollah-beweging in Libanon te steunen en heeft men in het geniep een militair nucleair programma. Ook Iran is sinds de dramatische aanslagen op 11 september vooral met begrip en zoete woorden benaderd en bedankt voor het zich niet te hard verzetten tegen de acties in Afghanistan – het land stelde immers haar haven Bandar Abbas open voor humanitaire doeleinden.

Syrië is nog steeds de basis van vele terroristische facties van verschillend allooi. Het land fungeert als doorvoerhaven voor de Iraanse militaire hulp aan Hezbollah in Libanon. Op uiterst selectieve wijze zijn moslimextremistische organisaties in het verleden gesteund. Zo werd de Moslim Brotherhood, die het tot de alevitische minderheid behorende huis van president Assad bedreigde, de afgelopen decennia keihard aangepakt, maar werden extremistische tegenstanders van PLO-leider Arafat met honing gepaaid en vorstelijk gehuisvest in Damascus. Ook dit land is nauwelijks aangesproken op haar laakbare gedrag, en na 11 september voor haar minimale verzet tegen de acties in Afghanistan zelfs beloond met een tijdelijk lidmaatschap van de Veiligheidsraad van de VN – zonder een spoor van verzet van de VS.

Dan is er natuurlijk nog Irak, een land dat zeker ook blijvende aandacht verdient en terecht nog steeds onder internationale sancties valt. Irak is in dit verband evenwel van een andere orde omdat het in tegenstelling tot landen als Saoedi-Arabië, Iran en Syrië de afgelopen maanden noch door het westen in de strijd tegen het terrorisme is betrokken, noch door het westen is gepaaid en evenmin met fluwelen handschoen is bejegend.

Natuurlijk is het van belang dat in de strijd tegen de Talibaan en het Al-Qaedanetwerk van Osama Bin Laden het front ook binnen de Arabische wereld gesloten blijft. Maar Bin Laden en zijn netwerk zijn niet de enigen die zich schuldig maken aan terroristische en extremistische activiteiten. Islamitisch-extremisten zijn actief elders in het Midden-Oosten, de Maghreb, Centraal-Azië, de Kaukasus, het Verre Oosten en zelfs Europa. Het is van het grootste belang te onderkennen dat terroristische en extremistische organisaties niet kunnen overleven zonder de landen die hen steunen met geld, wapens en ideologische steun. Precies dát moet worden bestreden.

De internationale politiek dient haar aandacht daar dan ook snel naar te verleggen. Een gevecht tegen terrorisme is zonder een dergelijke inzet immers bij voorbaat verloren. Op diplomatiek en politiek niveau dienen landen als Saoedi-Arabië, Iran en Syrië te worden bewogen hun eigen terrorisme-ondersteunende activiteiten te staken danwel niet langer te gedogen. Dat daar politiek lef voor nodig is staat buiten kijf. Maar alleen zo kan het gevecht tegen het mondiaal opererende terrorisme ook daadwerkelijk worden gewonnen.

Frans Weisglas en Geert Wilders zijn lid van de Tweede Kamer en maken deel uit van de fractie van de VVD.

    • Frans Weisglas
    • Geert Wilders