Niet te laag

De olie-industrie is geen bedrijfstak voor watjes. Het gaat er ruw aan toe. Zo ook afgelopen week, toen de OPEC, het kartel van olieproducerende landen, het aan de stok kreeg met Rusland, de één na grootste olie-exporteur ter wereld, maar geen lid van het kartel. OPEC en Rusland ruziën over beperking van de productie. Hiermee wil OPEC de prijs voor een vat olie opkrikken, maar de Russen halen hun schouders op. De Arabische en Russische olieproducenten zijn nu gewikkeld in het aloude spelletje wie het eerste met de ogen knippert en intussen gaat de olieprijs onderuit.

Sinds de elfde september is de olie in prijs gehalveerd. De olieprijs begint het dieptepunt van 1998 te naderen. Dat is voor Rusland een reden tot zorg, omdat de lage olieprijzen in dat jaar leidden tot het quasi-faillissement van de Russische staat.

De oorzaken van de prijsval zijn helder. De westerse economieën balanceren op de rand van recessie en dat drukt de vraag. De OPEC wil zijn productie wel verlagen om de prijs te stabiliseren, maar alleen als niet-OPEC-landen, waaronder Rusland, Mexico en Noorwegen, bereid zijn mee te doen. Vorige week draaide op de OPEC-vergadering in Wenen alles om Rusland. Doet Rusland mee aan productiebeperking of niet? Rusland wilde slechts een symbolisch gebaar maken, waarop de OPEC verklaarde een prijzenoorlog te zullen ontketenen om de Russen alsnog tot medewerking te dwingen.

Dit is een risicovolle strategie. Lage olieprijzen lijken op het eerste gezicht gunstig omdat ze bijdragen de economische terugval in de wereld te bestrijden en de inflatie te drukken. Maar als de prijzen langdurig laag blijven, heeft dat negatieve effecten. Verspilling van goedkope energie, uitstel van investeringen in nieuwe olievelden en financiële problemen in de olieproducerende landen zijn het gevolg. Dat laatste is ongunstig voor de Golfstaten die de Verenigde Staten als bondgenoten binnen de `coalitie tegen het terrorisme' koesteren. De wereld is het beste gediend met stabiele prijzen op een redelijk niveau.