Een scheldend karikatuur van de Volksschrijver

Hij slaat, schreeuwt en dreigt als het de buitenwereld betreft. Intussen zorgt Joop Schafthuizen al ruim 25 jaar voor Gerard Reve, die geen prijs uit handen van de Belgische koning mag ontvangen. Woede en waarde van `Matroos Vos'.

Joop Schafthuizen slaat journalisten van zijn erf, dreigt in een tv-interview de boel kort en klein te slaan en raast en tiert over iedereen die zich met het oeuvre en leven van zijn vriend wenst te bemoeien. Heeft de neiging het circus Reve gaande te houden, in vervolg op de conflicten die zijn vriend in het verleden zaaide, maar op zijn eigen, grofgebekte wijze. Hij is de karikatuur van zijn 25 jaar oudere vriend geworden. Hij neemt formuleringen van Reve over (`pielemuisje'), fluistert ze, nu de meester vergeetachtig is geworden, Reve in het oor zodra `de internationale wereldpers' belt, maar ontbeert diens voormalige raffinement en charisma.

Schafthuizen wordt in België verdacht van ,,de eenmalige aanranding der eerbaarheid van een minderjarig jongetje en het bezit van kinderporno''. De onderzoeksrechter in Gent verwacht binnenkort aan de procureurs des Konings mee te kunnen delen of Schafthuizen daadwerkelijk vervolgd moet worden, laat zijn woordvoerder desgevraagd weten.

Ten gevolge van dit alles ontvangt Reve overmorgen de driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren niet uit handen van de Belgische koning. Schafthuizen reageerde met een publiciteitsoffensief, waarin om voorrang streden zijn diep betreurde spijt van het incident, het bagatelliseren van het omstreden feit en de schande van de Koninklijke beslissing (,,Hij kan zich weinig veroorloven na zoveel smerigheid'', verwees hij naar vermeende zedenmisdrijven des konings).

Talrijk zijn de mensen met wie een vriendschap ontstond die niet mocht zijn: van Reve-correspondent Andreas Sinakowski tot ex-Reve-uitgever Wim Hazeu. In Het Parool deed hij onlangs zijn voor het patroon - exemplarische relaas: ,,Gerard is een trouwe, lieve man. Natuurlijk is het tot een brouille gekomen – door Joop Schafthuizen. Er was een misverstand, maar hij beschuldigde me van kwade opzet en schold me uit voor alles wat slecht was. Nee, Gerard kwam niet aan de telefoon, want die was het met hem eens. Flauwekul natuurlijk, maar dan denk ik: graag of niet.''

Verklaarde de afgelopen jaren Schafthuizen het meest vrienden en belangstellenden tot persona non grata, vroeger deed Gerard Reve dat, in omgekeerde richting. ,,Ik heb heel erg goeie, echt heel dierbare vrienden, waarmee ik niet meer om mag gaan van Gerard.'', zei Schafthuizen in 1984 in de Haagse Post. ,,Gewoon omdat Gerard zegt: 't Is een bedreiging voor mijn creativiteit.'' Geen wonder dat het `isolement' en `eenzaamheid' waarin de twee in 1984 al zeiden te verkeren, sindsdien alleen maar groter is geworden. Schafthuizen is de bewaker van talloze aanvragen voor interviews, fanmail en uitgeefinitiatieven.

Schafthuizen groeide op in een klein arbeidershuis in Schiedam. Zijn vader was constructie-ijzerwerker en hield kanaries. Van hem erfde Joop Schafthuizen zijn grove taal. Zo werd hij naar bed gedirigeerd met woorden: ,,Gore, vuile tyfusflikker, naar bed!'' Zijn zachtaardige moeder beschermde de jongen die niet hield van voetballen en niet durfde te fietsen. Joop had een tweelingbroer, een één jaar oudere broer en een tien jaar jongere zuster. Op zijn veertiende ging hij werken in een drukkerij. Verder handelde hij wat, bijvoorbeeld in Perzische tapijten, en trok hij al jong op met Rotterdamse kunstenaars. Het vrije leven van zijn vaders vader, die kunsthandelaar was, trok hem aan. Deze grootvader wees hem ook op de literatuur: Céline, Elsschot en Van het Reve, van wie De ondergang van de familie Boslowits en Werther Nieland diepe indruk maakten.

De aan de muren van zijn jongenskamer opgeplakte plaatjes van popsterren, kunstreproducties en plaatjes van jonge jongens leidde tot de inzending van zo'n collage naar een expositie van jonge kunstenaars. De Rotterdamse Kunststichting kocht ze aan voor 350 gulden per stuk. Aangemoedigd door dit succes diende hij een subsidieaanvraag in voor `het inrichten van een jongenskamer'. Een deftige commissie kende Joop Schafthuizen, na zijn kamer te hebben geïnspecteerd, een stipendium toe van tienduizend gulden. De ondertussen met drugs experimenterende Schafthuizen werd, terug van een uit het stipendium gefinancierde reis naar Indonesië, door zijn vader het huis uit gezet. Zijn liefdesleven in die jaren daarna speelde zich af in herencafés, hotels en flatgebouwen, met kleine jongens, `kabouters'. Hij maakte `deals' met oude homoseksuelen; hij mocht in hun huis, als zij mochten toekijken.

Met de collages is Schafthuizen geruime tijd doorgegaan, verkopen deed hij hoofdzakelijk aan de Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR) waaruit hij enige tijd een inkomen verwierf. Dr. Jan van Adrichem, hoofd wetenschappelijke dienst van het Stedelijk Museum te Amsterdam, kent Schafthuizen vanaf 1988, toen hij stadsconservator was in Museum Boijmans van Beuningen te Rotterdam. Hij kocht van Schafthuizen zo'n tien collages en assemblages aan. Volgens Van Adrichem vormde Schafthuizen eind jaren zestig, begin jaren zeventig samen met Daan van Golden, Charlie van Rest en Paul Beckman een groep Schiedamse kunstenaars. Hij stelde een tentoonstelling samen van de groep in het Stedelijk Museum Schiedam, het Centraal Museum te Utrecht en later in Hannover. ,,Schafthuizen maakte collages van grote klasse, daarmee was hij zijn tijd ver vooruit. Hij maakte ook gebruik van pedoseksuele elementen, prenten van kleine kinderen, maar zijn collages waren zeker niet pedoseksueel. Niemand had daar in die jaren overigens problemen mee.'' In 1998 kwam het tot een onderzoek naar het kinderpornografische gehalte van collages van Schafthuizen – die de Artotheek van Schiedam aan hem retourneerde na een klacht van een boze klant.

In 1964, op 16-jarige leeftijd, ontmoette Schafthuizen Reve voor het eerst, begin jaren zeventig andermaal bij Reve's mecenas, de havenbaron Ludo Pieters. In 1975 ontving hij een brief van uitgever Johan Polak, die zijn zorg uitsprak over de moeilijkheden waarin Reve verkeerde. De schrijver dronk, slikte en maakte iedere dag ruzie. Aan Schafthuizen het verzoek Reve te verzorgen. Na zijn tweede bezoek, vanaf 7 augustus 1975, is Schafthuizen niet meer weggegaan. Uit Vriendschap, niet uit Liefde, meent de door Reve tot Matroos Vos (of Vosch) bestempelde levensgezel. De seks kwam neer op `heren enkelspel', waarbij Reve fantaseert over de Meedogenloze Jongen en Schafthuizen over de oorsprong van zijn pedofilie: de intimiteit die hij als jongetje had met zijn tweelingbroer. In 1984, in de Haagse Post, was zijn `coming out' voor de `Kabouterliefde': ,,Zeg maar gerust dat ik heel erg pedofiel ben. Ik hou van jongetjes tussen de tien en de vijftien. Van die eendagsbloemen; jongens die maar een weekend, of zelfs maar een dag op hun mooist zijn.''

Over Joop Schafthuizen willen vrienden en relaties zich niet publiekelijk uitlaten. Zij die nog wel on speaking terms zijn, teneinde die relatie zo te houden. En zij die zijn geëxcommuniceerd, om te vermijden op hun beurt in de publiciteit te worden beledigd. Met Joop weet je immers nooit precies wat hem wanneer in het verkeerde keelgat schiet. Van de anonymi prijst een deel Schafthuizens jarenlange liefdevolle verzorging van de hulpbehoevende schrijver. Een andere bron spreek van een `gevangenschap' waarin Reve allerminst vrijwillig zou verblijven. Hem jarenlang afsluiten van dierbaren zou van wreedheid getuigen. Zeker is dat Reve, hoewel afgezonderd, in betrekkelijke rust zijn dagen slijt. Schafthuizen zorgt onvermoeibaar dat de schrijver voldoende eet, niet te veel drinkt en op tijd zijn pillen slikt en naar bed gaat. Hij kleedt en wast hem en zorgt voor een vervanger als hij weg moet, want Reve alleen laten kan niet meer. Voorts worden geprezen Schafthuizens charme, vrijgevigheid en gastvrijheid.

Waar vriend en vijand het over eens zijn, is het hoog ontwikkelde zakelijk inzicht van Reve's levenspartner. Dat wendde hij aan vanaf het moment dat hij in 1975 in het leven van de schrijver kwam. Sindsdien oogst Reve een behoorlijk inkomen. ,,Kunst moet commercieel zijn, en een kunstenaar moet op zijn minst proberen zakenman te wezen'', zei Reve al eind jaren zestig. Het was Schafthuizen die Reve in onderhandelingen met uitgevers steeds meer ging bijstaan om ze uiteindelijk geheel over te nemen.

Joop Schafthuizen wees Reve er in de jaren zeventig al op dat hij voor tv-optredens ten onrechte geen geld vroeg. Een artiest wordt voor zo'n optreden tenslotte óók betaald. Verslaggevers reisden sindsdien niet meer naar Le PoëtLaval, Schiedam of Machelen af zonder een enveloppe met het tevoren overeengekomen bedrag. Schafthuizen ordende het archief, een gestaag uitdijende verzameling handbeschreven papier die Reve in hutkoffers van het ene naar het andere adres achter zich aan had gesleept.

Joop Schafthuizen initieerde of verzorgde boekuitgaven waarvoor hij uit het archief putte: de drie delen Archief Reve (vanaf 1981), Album Gerard Reve (1983) en Schoon Schip (1984). Hij ontdekte dat door anderen met handschriften van Reve geld werd verdiend, zorgde dat geen brief meer ongekopieerd de deur uitging en begon een eigen antiquariaat. De grootste onder de talloze Reve-verzamelaars kocht nu zelf verspreide manuscripten in, om bepaalde delen van zijn archief compleet te maken, en verkocht van lieverlede steeds meer om een andere liefhebberij mogelijk te maken: kunst verzamelen. Hij kocht (,,scoorde'') gravures, zeldzaam oud glaswerk, etnografica en richtte zich op den duur steeds meer op portretten en stillevens van zeventiende-eeuwse meesters. Schafthuizen kocht en verkocht op grote schaal; steeds duurder stukken, aan te schaffen door eerder aangeschaft werk weer af te stoten.

In de jaren tachtig bond Reve's vriend de strijd aan met clandestiene drukkers en verspreiders van Reve's teksten. Antiquaar Henk Kraayenbrink herinnert zich hoe hem destijds, pas begonnen in de branche en in het bezit van zo'n roofdruk, telefonisch ,,hel en verdoemenis'' werd toegewenst door Schafthuizen. Later was hij nog eens te Schiedam bij ,,Antiquariaat en Kunstzaal Schafthuizen'' aan de deur geweest. Er hing een ,,nare sfeer'' met een ,,halfdronken'' Schafthuizen in gezelschap van ,,een stel Marokkaanse jongetjes''. Steeds meer archiefmateriaal verhuisde via de veilinghuizen naar de liefhebbers. Toen een bundel brieven, gestuurd door Johan Polak aan Reve, werd geveild en de eerste daar bezwaar tegen maakte, voegde Schafthuizen de uitgever toe: ,,Ik heb je toch altijd de uitgekookte paardenkop van de Keizersgracht genoemd? Weet je hoe ik je nu noem: de uitgekookte psychopaat van de Keizersgracht.'' In 1996 werd het manuscript van De Avonden verkocht, afkomstig van de vader van de dichter Hans Lodeizen, die Reve in diens arme jaren financieel had ondersteund. Het werd voor 160 duizend gulden verworven door het Letterkundig Museum. Een jaar later deed Schafthuizen al zijn eerste drukken en bijzondere uitgaven van de hand, het merendeel voorzien van een opdracht van de schrijver (,,Voor Matroos Vos, van zijn liefhebbende Wolf.''). Schafthuizen had volbracht wat zijn vriend hem in een van de gebundelde `Brieven aan Matroos Vosch' schreef: ,,Als jij mij wilt, dan zal ik voortaan de jouwe zijn: mijn huis, mijn bed, mijn bankrekening, alles voor Liefdesslaafje Vos.''

,,De literaire wereld zet de beeldend kunstenaar Schafthuizen ten onrechte weg als een kunstenaarsweduwe'', stelt Jan van Adrichem van het Stedelijk Museum. ,,Schafthuizen is een gevoelsmens, die niet wordt begrepen.'' In 1997 had Reve's levensgezel een inzinking. ,,Ik verwaarloosde mezelf, at slecht en had complete straatvrees, mensenvrees, pijn.'' zei Schafthuizen in deze krant. ,,Ik zag mezelf als compleet overbodig. Dronk heel veel alcohol, om in een bijna-bewusteloosheid te verkeren.(...) Door veel te praten met een team van psychiaters heb ik een soort eigenwaarde teruggekregen, in die zin dat ik niet dood wil.''

Reve beklaagde zich tegenover journalisten herhaaldelijk over zijn vriend. ,,Ik kan hem zo laten weghalen, ik heb mijn relaties'' en ,,Een dove vriend kan ik overal krijgen'', sprak hij met zijn beproefde mengeling van ernst en luim. Waarom blijven jullie eigenlijk bij elkaar, vroeg Hanneke Groenteman dit voorjaar in Machelen aan het paar. Joop Schafthuizen: ,,Uit economisch belang.'' Gerard Reve: ,,Ik kan niks anders krijgen.''

    • Wilfred Takken
    • Tom Rooduijn