De tentstokken van het geheugen

Het zal zo'n twintig jaar geleden zijn dat ik De Toverberg las. Ik zou dan ook liegen als ik beweerde dat ik me Thomas Manns meesterwerk nog heel precies herinner, sterker nog, ik weet er nog maar bar weinig van. Ik kan wat namen van personages opnoemen, ik herinner me het gekuch en de koortsblosjes van al die tbc-patiënten, dat er nagedacht werd over ziekte en aangetaste lichamen, de scheve `Kirgiezische ogen' van de mooie Clawdia Chauchat. Maar één overweging eruit heb ik altijd onthouden. Die ging over de tijd, om preciezer te zijn, over het raadsel van de beleving van tijd. Ik weet niet meer wie de theorie naar voren bracht, misschien een van die twee immer discussiërende heren, Nafta en Settembrini. Hoe dan ook, er werd iets heel eenvoudigs uiteengezet dat ik toch nog niet eerder onder woorden gebracht had gezien:

Een dag, of zelfs een uur, waarin niets gebeurt duurt eindeloos lang. Een dag vol gebeurtenissen vliegt voorbij, voortdurend biedt de klok een verrassend laat tijdstip aan, de avond komt met stormachtige vaart naderbij. Drie van zulke voorbijvliegende dagen lijken echter een eeuwigheid. Iedereen kent dit fenomeen van vakanties na drie dagen heb je het gevoel dat je al tenminste een week weg bent, je vraagt elkaar verbaasd: was het pas gisteren dat we naar dat klooster klommen? Het lijkt al weer veel langer geleden. In de terugblik zijn die dagen lang. Drie slome dagen zijn in de terugblik nauwelijks van elkaar te onderscheiden, of het nu maandag of dinsdag was dat je uit het raam zat te staren of de hele dag aan het strand lag, dat maakt eigenlijk niet uit. De verschillende dagen worden in de terugblik één dag. Kort dus.

Dit fenomeen maakt ook duidelijk waarom iemand die twee weken met vakantie is geweest op zijn werk terugkeert en vol verwachting vraagt: ,,En? Wat is hier allemaal gebeurd?'' Hem is immers bijna onbegrijpelijk veel overkomen in een flinke periode. De collega's daarentegen hebben nauwelijks gemerkt dat hij weg is geweest, die vragen: ,,Ben je nú alweer terug?'' Natuurlijk is er niets gebeurd.

Dat alles begon ik pas te begrijpen met behulp van de mij door Thomas Mann aangereikte theorie en ik moet zeggen dat er tot op de dag van vandaag een grote verklarende kracht van uitgaat. Wel blijft iets anders raadselachtig, namelijk hoe het mogelijk is dat die aanvankelijk zo lange en veelbewogen vakanties (bijvoorbeeld) na een paar jaar toch weer gekrompen zijn en zelfs een zekere verwisselbaarheid hebben gekregen. Soms laat de vakantie zich alleen maar onthouden aan iets ánders dat in hetzelfde jaar heeft plaatsgevonden, soms zitten de jaren slordig door elkaar in het geheugen en de vakanties net zo. En wat ook vreemd is: terugdenkend aan mijn kinderjaren komen er helemaal niet allerlei vakanties vol gebeurtenissen boven, maar allerlei zeer dagelijkse details: kastpapier in een kast leggen en hoe dat rook, te laat op de kleuterschool komen en niet naar binnen durven, schelpschilfertjes van je kuiten verwijderen na een dag op het strand, het gevoel van zanderige blote voeten op stoeptegels, karnemelkse pap op het balkon, de eerste aardrijkskundeles (die ik zo geweldig vond dat ik in de ochtendpauze naar huis ging omdat ik dacht dat de morgen al om was een vreemde contra-indicatie voor de Mann-theorie).

De originele Toverberg-passage zag ik onlangs terug, in het titelessay van een boek met de aanlokkelijke titel Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt. Over het autobiografische geheugen. Geschreven door Douwe Draaisma, gespecialiseerd in de geschiedenis van de psychologie en geïnteresseerd in vragen zoals die in de titel, en ook in allerlei andere vragen die met het herinneren en vergeten samenhangen, zoals de kracht van geuren, het liegende geheugen, déjà-vu's, geheugenverlies, waarom hij (en ik ook, en de meeste mensen misschien wel) altijd net de verkeerde dingen fotograferen, altijd verjaardagen en vakanties enzo, maar nooit eens een ruzie tussen de kinderen, de gootsteen, je fiets in het rek, iemand die thuiskomt met de boodschappen, de kruidenier (toen die er nog was), de groenteboer (nu die er nog is), je vrienden bij zichzelf thuis, enfin noem maar op, alle dagelijksheid die over twintig jaar ineens geen dagelijksheid is en die je je dan veel liever zou willen herinneren dan dat ongelooflijk beeldschone uitzicht van dat ene kerkje (waar was het ook weer?) in eh, (welk jaar waren we daar?).

En waarom gaat het leven nu sneller als je ouder wordt? Een deel daarvan wordt verklaard door de Mann-theorie: de jaren worden eenvormiger en dus meer als één jaar en dus schieten ze voorbij. Draaisma heeft veel mooie citaten en voorbeelden gevonden om die intuïtie te staven, want meetbare experimenten zijn voor echt lánge periodes nogal moeilijk. Oudere onderzoekers onderzochten zichzelf en hun waarnemingen, wat niet meteen heel wetenschappelijk klinkt maar toch veelzeggend is. Hierover schrijft Draaisma: ,,Introspectie mag letterlijk `naar binnen kijken' betekenen, vanaf een bepaalde graad van verfijning is het een methode die de ervaringen van anderen insluit en dus juist naar buiten is gericht.'' Dat geldt behalve voor psychologen natuurlijk ook voor schrijvers, van wier observaties Draaisma, die een belezen man moet zijn, dan ook graag gebruik maakt. Zo kan hij van Gerrit Krol de uitspraak noteren dat foto's `de tentstokken van het geheugen zijn', citeert hij schitterende passages uit Proust waaronder gedeeltes uit de lange `madeleine-passage' waaraan hij even later de overweging vastknoopt dat Proust in een psychologisch experiment helemaal de tijd niet gehad zou hebben om aan zijn herinneringen toe te komen.

De tijd gaat dus enerzijds sneller bij het ouder worden door het ontbreken van opmerkelijke gebeurtenissen of grote indrukken. Maar er zijn ook allerlei fenomenen die minder goed te duiden zijn. Zo denken mensen van middelbare leeftijd vaak dat gebeurtenissen, neem bijvoorbeeld de Bijlmerramp (1992), korter geleden gebeurd zijn dan ze in werkelijkheid zijn. Dus zeggen die mensen: wat vliegt de tijd! Alweer bijna tien jaar voorbij! Maar bejaarden schatten de tijd langer in, en hebben, zegt men, tóch het gevoel dat de tijd vliegt... Alles is altijd veel ingewikkelder dan men denkt. Maar niet dan Draaisma denkt, want die denkt meteen al dat het veel ingewikkelder is dan men denkt. En hij heeft gelijk.

Zijn boek roept talloze vragen op en geeft talloze antwoorden. Het zet ertoe aan in het eigen geheugen te gaan rondkijken, `de paleizen van het geheugen' zoals Augustinus die noemde. Hier wordt het geheugen veelal als een duistere ruimte beschreven, waarin de bezoeker met een kleine lantaarn ronddwaalt en veel, heel veel niet vindt. En natuurlijk zijn er ook dingen echt weg. Dus om te beginnen gaan we maar eens betere, dat wil zeggen, gewonere, foto's nemen. Als de tijd niet al te snel voorbij vliegt zodat dat er weer niet van komt.