Verruiming teruggave joods bezit

Bij de teruggave van oorlogskunst die na de bevrijding in bezit kwam van het rijk, zullen alle kunstverkopen door joden in Duitsland vanaf het jaar 1933 en in Oostenrijk vanaf 1938 voortaan als `onvrijwillig' worden beschouwd.

Met dit besluit volgt het kabinet de aanbevelingen van de commissie-Ekkart, die in opdracht van het ministerie van OCenW het onderzoek begeleidt naar de herkomst van kunstvoorwerpen die in de Tweede Wereldoorlog naar Duitsland werden gevoerd, na de oorlog werden gerecupereerd en later toevielen aan het rijk. De commissie-Ekkart deed in april van dit jaar een reeks aanbevelingen aan de regering voor een royaler teruggavebeleid van kunst die door de nazi's werd geroofd of onder dwang verkocht. In grote lijnen werden die aanbevelingen in juni al overgenomen door het kabinet.

Over de vooroorlogse kunstverkopen door joden in Duitsland en Oostenrijk wilde de regering eerst advies inwinnen. Het besluit om deze verkopen voortaan als `onvrijwillig' te bestempelen, kan betekenen dat de Nederlandse overheid meer kunstwerken moet teruggeven dan tot dusver is gebeurd. Hierbij zou het dan gaan om kunst uit Duits-joods bezit die in handen viel van rijksmaarschalk Göring en later in het bezit kwam van de Nederlandse staat.

Kunstverkopen door joden in Nederland gelden als `onvrijwillig' vanaf 10 mei 1940. Dit gaat ook op voor verkopen door Sinti, Roma en andere bevolkingsgroepen die door de nazi's werden vervolgd.

De regering heeft ook advies ingewonnen over de terugkoop-regeling die de commissie Ekkart in april voorstelde. Joden die onder dwang kunst aan de Duitsers hadden verkocht maakten na de oorlog niet altijd gebruik van de mogelijkheid om die terug te kopen van het rijk. De commissie-Ekkart wil dat deze mensen of hun erfgenamen daartoe alsnog de gelegenheid krijgen.

De regering neemt hierover geen duidelijk standpunt in, maar laat dit over aan een adviescommissie die de individuele restitutieverzoeken voortaan op hun rechtmatigheid zal beoordelen. Het uitgangspunt van deze commissie moet zijn dat het naoorlogs rechtsherstel niet wordt overgedaan. Maar wanneer een kunstclaim na de oorlog `apert onzorgvuldig' is afgewikkeld, en die kunst nu opnieuw wordt opgeëist, dan mag de commissie die onzorgvuldigheid wel laten meewegen bij haar advies over de huidige claim.

De adviescommissie die de claims op oorlogskunst gaat beoordelen, zal bestaan uit juristen, historici en kunsthistorici. De jurist J.M. Polak, oud-lid van de Raad van State wordt voorzitter, B.J. Asscher, voormalig president van de rechtbank in Amsterdam, vice-voorzitter van de commissie.

Het regeringsstandpunt over de teruggave van oorlogskunst komt volgende week donderdag aan de orde in de vaste commissie voor OCenW van de Tweede Kamer.