Vernis van verdraagzaamheid bladdert af

Lang waande Nederland zich onkwetsbaar. Het is een geluk bij een ongeluk dat daar na de aanslagen in Amerika een einde is gekomen, vindt Paul Scheffer.

De aanslagen in Amerika dreunen op een verrassende manier door in de multiculturele werkelijkheid van Nederland. Het geeft te denken dat de aanvaringen hier hevig waren, volgens sommigen zelfs heviger dan in omringende landen. De culturele afstanden blijken groot te zijn: de samenleving maakt deze dagen meer de indruk van een eilandenrijk dan van een enigszins samenhangend geheel.

Wat na elf september is gebeurd dwingt aan alle kanten tot zelfonderzoek. De vragen die kunnen worden gesteld over het samenleven in Nederland hebben meer reliëf gekregen. Duidelijk is zichtbaar geworden dat tolerantie geen vanzelfsprekendheid is, en dus om onderhoud vraagt. Fouad Laroui schrijft in zijn essay Vreemdeling: aangenaam over Amsterdam: ,,Hier vind je een onverschillige tolerantie waarin je kunt baden, dag na dag, totdat je jezelf wordt.'' Wat hij en anderen onvoldoende zien, is dat die schijnbare ontspannen houding vraagt om een voortdurende inspanning.

Er is alle reden om de meerderheidscultuur kritisch te overdenken. Tegelijk mogen we ons niet laten gijzelen door terreur, groot of klein. Daarom is tevens zelfonderzoek gevraagd van de kant van de minderheden, ook binnen de moslimgemeenschap van Nederland. Wanneer men zich beroept op godsdienstvrijheid – en velen zeggen dat ze hier de islam veel vrijer kunnen beleven dan in het land van herkomst – dan moet men ook inzien hoe belangrijk het is die vrijheden mee in stand te helpen houden. Dat betekent: meer opening van zaken geven over wat in de moskeeën gebeurt, en onverdraagzaamheid in eigen kring actiever weerspreken.

De gebeurtenissen na elf september maken duidelijk dat de bestuurlijke omgang met migratie in Nederland getuigt van onzekerheid. Dat onvermogen doet afbreuk aan de tolerantie. Waar komt die halfslachtigheid vandaan? In algemene zin kan men vaststellen dat de regering Nederland niet ziet als een klassiek immigratieland naar Amerikaans model.

Overal in Europa worstelen landen met die onzekerheid, en overal zien we dat na jaren van multiculturele zelfrelativering nu nadruk wordt gelegd op integratie en assimilatie. Ook in Nederland is die verschuiving gaande, maar een nieuw evenwicht is nog niet bereikt. Sterker nog, het denken over de multiculturele samenleving in Nederland wordt overschaduwd door een geweldig legitimatieprobleem.

Het recente WRR-rapport Nederland als immigratiesamenleving laat de verwarring duidelijk zien: ,,Bij de verwachting van blijvend immigratieland kan worden aangetekend dat dit op zichzelf een feitelijke uitspraak is, geen uitspraak over een wenselijke ontwikkeling.'' Aarzelend vervolgt men: ,,Niettemin zou men deze verwachting ook als een wenselijke ontwikkeling kunnen zien, wanneer men zich realiseert dat de immigratie een begeleidend verschijnsel is van een groeiende welvaart.'' Tja, files op de wegen zijn ook een begeleidend verschijnsel van onze welvaart.

Wat men eigenlijk wil zeggen: immigratie is de prijs van onze welvaart. De verschillen tussen arm en rijk in de wereld zijn zo groot, en tegelijkertijd maakt de moderne communicatie de afstanden zo klein, dat de logische uitkomst een toenemende migratiedruk is. Onmiddellijk wordt het verschil duidelijk met een echt immigratieland, dat kiest voor immigratie als een duurzame bijdrage aan de welvaart. Nederland is iets geworden tegen wil en dank, en doet er getuige alle wetgeving van de afgelopen dertig jaar in toenemende mate iets aan om immigranten en asielzoekers af te weren. Dat is toch echt iets anders dan een immigratiesamenleving.

De WRR gaat nog verder in de delegitimering van immigratie: ,,Het netto profijt van de totale immigratie voor een economie als de Nederlandse is onder de huidige omstandigheden klein, zoniet verwaarloosbaar.'' Inmiddels heeft de regering die conclusie tot de hare gemaakt en legt ze dan ook nadruk op `culturele verrijking'. De vaststelling dat het economisch rendement `verwaarloosbaar' is, maakt van immigratie en asiel uiteindelijk een humanitaire verplichting, die voortvloeit uit internationale verdragen. Maar dat morele motief biedt onvoldoende legitimatie voor de demografische omslag in de grotere steden, die zulke ingrijpende gevolgen heeft.

De onzekerheid wordt niet bezworen met multiculturele gemeenplaatsen als `we moeten ons in elkaars achtergrond verdiepen'. Zeker, dat zou mooi zijn. Maar hoe meer handen de premier schudt op zijn geïmproviseerde rondgang langs de moskeeën, hoe pijnlijker duidelijk wordt dat hij in zijn lange loopbaan nooit de moeite heeft genomen zich te verdiepen in de multiculturele kant van Nederland.

Uit zijn optreden blijkt hoe groot de onzekerheid over migratie en integratie is. Toegegeven, het gaat om ingewikkelde afwegingen, maar men zou toch meer betrokkenheid en helderheid mogen verwachten. De omgang met arbeidsmigratie is illustratief voor het gehele beleid. Premier Kok beweerde in april dat Nederland geen arbeidsmigranten van buiten de Europese Unie nodig had, in juli kondigde hij met veel aplomb een nationaal debat af over Nederland als immigratieland om de vergrijzing tegen te gaan, en in september werd dit debat weer gestaakt met de summiere mededeling dat we toch echt geen arbeidsmigratie nodig hebben.

Deze halfslachtigheid van een immigratieland tegen wil en dank wordt ook zichtbaar in de omgang met staatsburgerschap. Er wordt veel te gemakkelijk omgesprongen met naturalisatie, met als gevolg dat Nederland al tien jaar binnen de Europese Unie ver voorop loopt. De WRR wil voortgaan op die weg en wil voor iedere migrant dubbele nationaliteit mogelijk te maken. Natuurlijk kunnen er redenen zijn om in individuele gevallen die mogelijkheid te openen. Maar als algemene oplossing is het geen goed idee, omdat men zo verder gaat met de relativering van het staatsburgerschap. Als iemand kiest voor de Nederlandse nationaliteit, behoort dat naast het verwerven van rechten ook de bewuste aanvaarding van plichten te betekenen.

Migranten moeten voor zichzelf bepalen hoe ze zich willen verhouden tot het land waar ze naar alle waarschijnlijkheid de rest van hun leven zullen doorbrengen. De regering verwacht wat dit betreft veel van de tweede generatie, maar vergeet te vermelden dat door voortgaande immigratie de eerste generatie ook in 2015 de tweede generatie in omvang zal overtreffen.

Als we daarnaast kijken naar de mate waarin de tweede generatie zich deel voelt van deze samenleving, dan is het beeld anders dan de Haagse hoop doet vermoeden. Het onderzoek van de Rotterdamse socioloog Entzinger naar islamitische jongeren in Rotterdam toont dat aan: ,,Samengevat voelt ongeveer een op de twee Turkse of Marokkaanse jongeren zich honderd procent Turks of Marokkaans en dus helemaal niet Nederlands. Bijna een op de drie voelt zich een beetje Nederlands. Nog eens een op de vijf voelt zich ongeveer evenveel Nederlands als Turks of Marokkaans.'' (Islam in de multiculturele samenleving). De realiteit is minder eenduidig, maar zulke gegevens geven toch een indruk van de culturele afstanden die in Nederland bestaan.

Natuurlijk zien volksvertegenwoordigers die kloof in de samenleving en zoeken ze naar woorden om de samenhang te bevorderen. Zo zei Ad Melkert na de aanslagen in Amerika: ,,We zijn niet allemaal hetzelfde. We hoeven niet alles van elkaar te snappen. Maar we moeten elkaar elementair kunnen vertrouwen.'' En hij vervolgde: ,,Want het moet maar eens duidelijk worden gezegd: wij zijn één natie.''

In dat `het moet maar maar eens duidelijk worden gezegd' proeft men een zekere verlegenheid met het onderwerp. Die is onnodig. Wanneer met die woorden gezegd wil zijn dat het uiteindelijk om burgerschap gaat, dan is dat een stap vooruit. Want een samenleving die meer van migranten vraagt, verplicht daarmee ook zichzelf tot grotere openheid.

Volwaardig burgerschap, dát is de kern van alle integratie, niet meer en niet minder. Elk immigratieland onderstreept hoe belangrijk beheersing van de landstaal, verinnerlijking van de rechtscultuur en een zeker historisch besef zijn om die integratie te bevorderen. We zouden kunnen luisteren naar de waarschuwing van de uit Iran gevluchte jurist Afshin Ellian: ,,Ik vind dat in Europa en zeker in Nederland lange tijd al een soort lafheid bestaat, waardoor de eigen constitutie en het burgerschap niet serieus worden genomen. Er komen nu mensen van buiten binnen met een heilig boek onder de arm. Het is onze taak hun duidelijk te maken dat ze hun heilige boek thuis moeten houden en dat hier de Grondwet geldt.'' (NRC Handelsblad, 10 november).

Die culturele voorwaarden van burgerschap vormen een uitnodiging om zich te vereenzelvigen met deze samenleving, om te kunnen zeggen: ,,Dit land is nu ook van ons.'' Dat is iets anders dan kritiekloze aanvaarding. Integendeel, een open samenleving leeft van het vermogen van haar burgers om zelfstandig te denken en te oordelen. Maar om op een betekenisvolle manier van mening te kunnen verschillen is onderlinge betrokkenheid nodig, en die ontstaat niet vanzelf.

Een voorbeeld kan dat duidelijk maken. De drie minuten stilte voor de slachtoffers in Amerika zorgde op veel `zwarte' scholen in Nederland voor problemen. Dat kwam niet alleen voort uit afkeer van de Amerikaanse rol in het Midden-Oosten, maar ook uit onbekendheid met de meerderheidscultuur, die mede is gevormd door de ervaringen van bezetting en bevrijding. Het onvermogen of de onwil om meer kennis over te dragen over het land van aankomst, zorgt voor kortsluitingen die aan alle kanten grote irritatie oproepen.

De legitimatiecrisis rond Nederland als immigratieland heeft een vacuüm geschapen waarin populistische stromingen zich kunnen nestelen. Dat is overal in Europa aan de hand en zelfs in een immigratieland als Australië winnen conservatieven de verkiezingen met hun harde weigering om illegale immigranten op te vangen. In het Sociaal Cultureel Rapport 2000 wordt gemeld: ,,In de EU als geheel vindt 65 procent van de ondervraagden dat de grens inzake de opneming van allochtonen is bereikt.'' Die meerderheidsstemming kan nooit het laatste woord zijn, maar kan ook niet zonder gevolgen worden genegeerd.

Over de multiculturele samenleving hangt te veel een vermoeden van onbeheersbaarheid. De redenering van velen is: wat we ook zeggen of doen, migranten komen toch. Worden de legale mogelijkheden verminderd, dan zal de illegaliteit navenant toenemen. Dat bestuurlijke onvermogen wordt ondertussen afgedekt met stadsgesprekken en public relations. Zo krijgt men plotsklaps een verzoek van de minister van Integratiebeleid in de bus om mee te denken over `een intensievere communicatiecampagne met het oog op verbetering van het imago en daarmee de positie van de etnische minderheden'. De omgekeerde volgorde – eerst de positie en dan het imago – lijkt meer voor de hand te liggen.

Het multiculturele samenleven moet een rol gaan spelen in de verkiezingsstrijd. Waar liggen de grenzen van de tolerantie wanneer het gaat om religieuze onverdraagzaamheid? Wat wordt gedacht over dubbele nationaliteit? Heeft Nederland vanwege de vergrijzing omvangrijke arbeidsmigratie nodig of niet? Hoe denkt men de inburgering beter gestalte te geven en werkelijk te doen naleven? Hoe wil de regering verdere segregratie in het onderwijs tussen zwarte en witte scholen tegengaan? Bestaat de politieke wil om afgewezen asielzoekers daadwerkelijk het land uit te zetten? En ten slotte: hoe oordeelt men over de groeiende immigratie door gezinsvorming? De vragen stapelen zich op, de antwoorden blijven uit.

In Nederland is de behoefte aan gemeenschap veel sterker dan menigeen denkt. Dat heeft te maken met de noodzaak tot samenleven op een klein grondgebied. De vrijzinnige kanten van dit land zijn gebouwd op een onmiskenbare zin voor ordening. Tolerantie werd groepsgewijs beleden, of zoals de Duitse historicus Ernst Zahn schreef in zijn Regenten, rebellen en reformatoren: ,,De tolerantie die hier in het geding is moet inderdaad niet als een persoonlijke eigenschap worden opgevat. Ze is ook geen nationale deugd die als een fraaie bloem aan de inborst van een braaf volk zou zijn ontsproten en nu door iedereen zou worden belichaamd.''

Verdraagzaamheid betekende in Nederland nooit laisser-faire, al moet worden gezegd dat deze twee houdingen in de afgelopen decennia van vrede en welvaart hardnekkig zijn verward. We leefden met een misplaatst gevoel van onkwetsbaarheid. Het is een geluk bij een ongeluk dat aan dat gevoel nu een einde is gekomen. Na de aanslag in Amerika is zichtbaarder dan ooit dat er aan alle kanten onbehagen bestaat. Het vernis van de verdraagzaamheid heeft dringend onderhoud nodig.

Paul Scheffer is publicist.

    • Paul Scheffer