Typtyp typtyp typ

De eerste vogels die zich in mijn geheugen hebben genesteld waren huismussen.

We logeerden bij familie op het dorp waar mijn vader vandaan kwam. Augustus. Ik sliep in het tweepersoonsledikant op de achterzolder. Ik zeg ik, maar ik bedoel een jongetje van een jaar of acht.

's Morgens werd je wakker van het gekwetter van mussen onder de dakpannen. Als je dan uit het minuscule raampje keek, zag je ze naar het graanveld achter de moestuin vliegen. Daar streken ze in neer. Als levende aren hingen ze aan de halmen, die dit gewicht blijkbaar makkelijk konden dragen.

Ik weet niet meer waarover ik me verbaasde, over de behendigheid van die mussen of de stevigheid van die halmen, maar ik verbaasde me en het is me bijgebleven.

De enige vogels die ik ooit moedwillig heb gedood waren ook huismussen, ook op het dorp waar mijn vader vandaan kwam, vakantie, augustus.

Een oom van me had een luchtbuks gekocht. We oefenden op conservenblikjes die op een paal bij de regenton werden gezet. Maar dat begon al gauw te vervelen, al gauw sloop ik als een volleerde pelsjager rond het huis om vogels van het dak te schieten – en wat hadden het anders moeten zijn dan mussen?

Ik zeg ik, maar ik bedoel een jongen van een jaar of dertien, nog niet gehard tegen de bekoringen van de wreedheid. Hoewel? Mijn vishengel, schiet me nu te binnen, had ik toen allang voorgoed opgeborgen.

Hoe bestaat het dat iemand eerder medelijden krijgt met vissen dan met vogels? Ik weet het niet. Het verschil is misschien dat de vogels die je schoot dood op de grond rolden, terwijl de vissen die je ving levend uit het water kwamen.

We visten in een kleiput in de uiterwaard. Zilverige voorntjes. Ik had een neef, die woonde op dat dorp, die ze door kieuw en bek aan een puntig wilgentakje reeg. Je moet eens naar die gave lippen kijken, dan kost het helemaal niet zoveel moeite om gevoel te hebben bij een vis.

Nu ik erover nadenk: misschien was ik gewoon bang voor de vissen die we vingen, banger in ieder geval dan voor een dood vogeltje. Hoe tragisch ook, dood is nooit zo verontrustend als lijden.

En er is natuurlijk een immens verschil in techniek. Zo deprimerend als het uitwerpen van een angel met deeg was, zo opwindend was het aanleggen met een geweer, het gevaar dat er plotseling van je uitging, de macht die je plotseling had, de vaardigheid die hierbij vereist was – ja, als ik dat zo beschrijf, geloof ik dat ik dit nog steeds opwindend zou vinden.

Hoe het ook zij, die zomer heb ik mij niet bepaald geliefd gemaakt bij de mussen rond dat huisje aan de dijk. Op den duur maakten ze al dat ze wegkwamen als ik mijn fiets tegen de lantaarnpaal zette. Dat maakte het niet alleen steeds moeilijker ze te pakken te krijgen, dat maakte ook dat mijn verbazing over deze vogeltjes mijn hebzucht toch weer overvleugelde, en zo is het daarna gebleven.

Nu kun je jagers, beoefenaren van de plezierjacht, in alle mogelijke toonaarden horen beweren dat jagen tot de natuurlijke aandriften van de mens behoort. Dan denk ik dat dat best waar kan zijn. Maar de vraag is niet of een aandrift al dan niet natuurlijk is, maar of je haar al dan niet moet gehoorzamen. Schieten zal best een humane manier zijn om een dier dood te maken, maar ik begrijp het plezier niet, of misschien moet ik zeggen: ik accepteer het plezier niet.

Vijf, zes dode mussen heb ik in mijn hand gehouden, hun gezamenlijke gewicht rust op mijn geweten. In een roman laat je iemand in zijn jeugd dergelijke zonden begaan en de rest van zijn leven boete doen. Ik hou niet van zulke romans. Maar het heeft natuurlijk toch zo moeten zijn: mijn eerste uitgewerkte vogelverhaal ging over huismussen.

Dat moet in 1978 zijn geweest. Ik herinner me dat ik toen de Rotterdamse bioloog Kees Heij heb gesproken en dat die min of meer ten einde raad was.

Hij wou op mussen promoveren. Hij moest mussen vangen. Hij moest mussen twee keer vangen: één keer om de gebruikelijke gegevens te noteren en dan nog een keer om te zien wat er in de tussentijd veranderd was. Maar alle mussen lieten zich alleen de eerste keer maar vangen. Ik herinner me dat Heij verzuchtte: ze zijn slimmer dan ik.

Afijn, het schijnt dan toch nog goed te zijn gekomen. Sinds '85 staat er tenminste dr. voor Heij's naam en nog altijd voert hij het woord als er in Nederland iets over mussen te doen is.

In mijn vorige woonplaats hadden we een doorzonwoning met een pannendak, elk blok huizen zijn eigen mussenvolkje. Ik denk dat wij in Nederland van mussen houden omdat mussen van gezelligheid houden. Altijd samen, altijd bezig, het roefroef van hun vleugeltjes als de kat van de buren naar buiten werd gedaan.

Mussen in de tuin, mussen in de dakgoot. Ik werkte op een grote zolderkamer. Vrijwel alles wat ik in mijn leven heb geschreven heb ik daar geschreven en vrijwel altijd was er die wonderlijke, bemoedigende interferentie tussen mijn geluid en dat van de mussen. Typtyp typtyp typ.

Ja, wij houden van mussen. De Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging viert dit jaar haar 100-jarig bestaan met een mussenproject. Een breed publiek werd opgeroepen om waarnemingen over mussen door te geven en de weerklank was enorm, de KNNV werd eenvoudigweg bedolven onder de reacties, ze weten niet hoe ze al die gegevens op tijd voor hun jubileumviering verwerkt moeten krijgen.

Het ziet ernaar uit dat wij in Nederland ons er pas van bewust worden dat we van mussen houden nu hun aanwezigheid minder en minder vanzelfsprekend wordt. In ieder geval zal dat `houden van' op zichzelf niet genoeg zijn om de achteruitgang van de huismus te stuiten.

In mijn vorige woonplaats hielden we bijvoorbeeld ook allemaal van koeien. Jaarlijks culmineerde onze koeienmanie op de laatste woensdag van oktober in een koeienmarkt, en dan rook het hele stadje naar stro en mest en erwtensoep.

Nu mochten er, nasleep van het mond- en klauwzeer, geen koeien verzameld worden. Dan sla je, zou je zeggen, een jaartje over. Dan komt er, zou je zeggen, maar een eind aan die traditie.

Maar nee, nu hebben ze doodleuk een páárdenmarkt gehouden. Dus wat je allang kon vermoeden, maar wat nog nooit zo duidelijk werd gedemonstreerd: in de kern van deze feestdag zat niet het houden van koeien, niet de verbondenheid met de boeren, maar het belang van de plaatselijke middenstand, ingebed tussen de kermis in de vroege ochtend en het vuurwerk in de late avond. Ben ik even blij dat ik niet meer in mijn vorige woonplaats woon.

Natuurlijk, waar ik nu woon mis ik behalve de koeien ook de mussen. Dat was te voorzien. Nieuwbouw. Mussen houden niet van nieuwbouw. En als ik naar de gebruikte dakbedekkingen kijk, kan het lang gaan duren voordat ze wel van deze buurt beginnen te houden.

Sinds ik hier woon, heb ik meer boomklevers dan huismussen gehoord. Nogmaals, dat past bij mijn nieuwe biotoop, dat hoort bij de bosrand, maar het blijft een vreemde gewaarwording.

Laat ik er dit nog van zeggen: bijzondere vogels hebben ook wel wat. Als je langs de heg van een volkstuintje loopt, als je ergens op de trein staat te wachten: hoor, kijk, huismus!

    • Koos van Zomeren