Top down

De meeste particuliere beleggers hebben de neiging om bij het samenstellen van een aandelenportefeuille vooral te letten op de individuele kwaliteiten van ondernemingen en de koers die daar tegenover staat. De bedrijven met de beste vooruitzichten worden in principe geselecteerd.

De meerderheid van de institutionele beleggers – de beheerders van pensioen- en verzekeringspremies – belegt anders. Zij stellen eerst voor zichzelf vast wat de macro-economische stand van zaken is, dus: in welke fase van de conjuncturele cyclus zitten we en waar gaat het dus heen met de lange en de korte rente en de valuta's. Vervolgens pas kijken ze welke sectoren (bedrijfstakken) in die fase de meeste kans hebben om bovengemiddeld te presteren. Eerst wordt dus bepaald wat de verdeling over sectoren en landen in de portefeuille moet zijn. Pas dan komt de vraag aan bod in welke bedrijven binnen die sectoren of landen men geld wil stoppen.

Het is overigens helemaal niet gezegd dat de eerste aanpak, die in het jargon wordt aangeduid met `bottom-up' beleggen (beginnend bij het micro-niveau van individuele bedrijven om zo tot een totaal te komen) een beter rendement geeft dan die tweede, met zijn zogeheten `top-down' selectie (beginnend met het brede overzicht om dan af te dalen naar het niveau van het individuele aandeel). De voorkeur van grote beleggers voor top-down beleggen heeft waarschijnlijk te maken met het verantwoording moeten afleggen over het beleid. Een institutioneel belegger kan makkelijker aan zijn pensioenfondsbestuur uitleggen dat hij vanuit macro-economische scenario A of B heeft gewerkt, dan dat hij bedrijf X aantrekkelijker vond dan Y en Z. Particulieren daarentegen vormen zich makkelijker een beeld van specifieke bedrijven dan over de economie als geheel.