Stars and stripes op de moskeeën

Arabische Amerikanen maken zich zorgen sinds de aanslagen van 11 september. `Ik ben steeds bang dat iemand aan mijn hoofddoek zal trekken', zegt Itedal Shalabi in Chicago dat ongeveer 300.000 inwoners van Arabische afkomst telt.

Kort na de aanslagen van 11 september kreeg Itedal Shalabi thuis bezoek van twee FBI-agentes. Die waren getipt dat zij ,,haar zoon opleidde om terrorist te worden''. Het is waar dat haar zoon na afloop van een vakantiebezoek aan familie op de Westoever tegen zijn moeder had gezegd: ,,Ik wil terug naar Palestina en met mijn neven meevechten.'' Waarop zijn moeder had gezegd: ,,Je kunt beter strijden door middel van een goede schoolopleiding hier.'' Dat was in het dagblad The Chicago Tribune terechtgekomen. Iemand tipte later de FBI. Een spoor? De agentes stonden wat schaapachtig te kijken toen zij de terrorist in kwestie zagen, negen jaar oud.

Shalabi: ,,Het was belachelijk. Dat begrepen zij ook wel. Maar wat zou er zijn gebeurd als mijn zoon zestien of twintig was geweest? Was hij dan meegenomen? Met de nieuwe anti-terreurwetten moet ik er niet aan denken. Wij houden ons ver van de plaatselijke politiek, maar we worden haast gedwongen nu onze kinderen als terrorist worden gebrandmerkt. Toen ik laatst op de metro stapte om naar een vergadering in het centrum te gaan, hoorden we fluisteren: `Ze stappen in'. Ik ben steeds bang dat iemand aan mijn hoofddoek zal trekken. Vóór 11 september piekerde ik daar niet over. Toen waren we gewoon Amerikanen.''

De 63ste Straat in Zuidwest-Chicago is een vale winkelbuurt met lage, stenen gebouwtjes. Pestmasters verkoopt verdelgingsmiddelen voor ratten en termieten. De meeste andere gevels vermelden in Arabische letters activiteiten die voor het ongeoefende oog niet te herkennen zijn. Itedal Shalabi stuurt haar hoge Amerikaanse voertuig rustig door de wijk, die bekend staat als Little Ramallah. Zij wijst aan wat de moskeeën zijn en wat de koffiehuizen. Op die laatste is zij niet zo tuk.

,,Die trekken vaders weg van hun gezin voor meer dan een kop koffie'', zegt Shalabi. ,,Er wordt gedronken en gegokt. Als zij thuis komen, zijn zij agressief en is het geld op. De zonen volgen het slechte voorbeeld. De vrouwen lijden daar onder. Steeds vaker willen zij scheiden. Dat hoort bij Amerika, zeggen zij, maar dan moet ik uitleggen dat zij ook hier in een Arabische cultuur leven die dat niet accepteert. Zij brengen hun familie schande en raken hun kinderen kwijt. Later kunnen die zonen en dochters nooit trouwen.''

Haar sluier geeft Shalabi een moslimuiterlijk maar verhult geen moment dat zij een moderne vrouw is in spijkerbroek en een zwart leren jack. Ook al brengt zij soms een traditionele boodschap in de maatschappelijk-werkwinkel, die zij een jaar geleden opende met haar collega Nareman Taha, psychologe. Zij hebben al heel wat moslimvrouwen die wegliepen zonder een eigen bron van inkomsten in een diep gat zien vallen.

Het kantoor van de Arab American Family Services is een raamloos kamertje in een medisch wijkgebouw waar bejaarden voorzien van diverse hulpstukken naar binnen schuifelen. Vriendelijkheid en berusting strijden hier om de voorrang. Shalabi en Taha goochelen met de fax en het antwoordapparaat. Zij moeten subsidies lospeuteren om de eindjes aan elkaar te knopen. De politie stuurt alle moeilijke gevallen naar hen door, maar ondersteunt het bedrijfje verder niet. En intussen blijven de weinig draagkrachtige klanten binnenstromen. ,,We kunnen vrouwen in nood toch niet laten staan?''

Shakeel Chaughtai (40) dacht dat hij volledig geïntegreerd was, vijftien jaar nadat hij uit Pakistan naar de Verenigde Staten was gekomen. Hij rijdt iedere dag met de metro naar zijn werk in Chicago waar hij bedrijfssoftware voor een grote Duitse firma schrijft. Toen kwam 11 september. Hij voelt zich twintig jaar ouder. Zijn hele leven is veranderd. ,,De mensen om me heen zeggen dat alles hetzelfde is, dat zij begrijpen dat niet alle moslims slecht zijn, maar het is niet zo. We kunnen de klok niet terugzetten. Het is hoogst onbehaaglijk om nu moslim te zijn. Ik heb geen tastbare reden om mij zorgen te maken, en toch, al die jaren strijd tegen de antimoslimhouding in dit land is voor niets geweest.''

Chaughtai gaat nooit naar de moskee. Geen tijd, geen zin. Hij heeft in de avonduren twee masters graden gehaald. Hij noemt zichzelf een religieus mens, daar heeft hij de samenkomsten niet voor nodig. De laatste keer dat hij een dienst meemaakte, was in een Anglicaanse kerk, de vader van een vriendin nodigde hem uit: ,,Ze wilden niet dat ik alleen zat. Zo zijn Amerikanen, het is een goedhartig volk. Dit is het land waar ik bij hoor. Ik ben Amerikaan en daar ben ik apetrots op. Het is een open samenleving, een van de beste systemen die er zijn. Ik heb alleen veel kritiek op de buitenlandse politiek. Het Congres zou de wortels van het anti-Amerikanisme moeten zien te vinden. Een cowboy-reactie lost niets op. Die man uit zijn grot knallen is nodig, maar het is niet genoeg.''

Shakeel Chaughtai weet waar hij het over heeft. Hij volgt het nieuws sinds jaar en dag via de BBC en CNN, tegenwoordig leest hij dagelijks op het web The Washington Post, The Los Angeles Times, The Boston Globe, USA Today, The Guardian, Ha'aretz en de Jerusalem Post. ,,Amerikanen zijn keurig tegen hun buren, samen barbecuen en zo, maar hun buitenlandse politiek negeert hun sociale waarden. Die zijn volkomen van elkaar losgekoppeld. Amerikanen zien dat niet. Ze hebben het druk met zichzelf.''

Hij schrikt van zijn woorden, maar vermant zich met de gedachte dat hij dit moet kunnen zeggen als het een vrij land is. Veel van zijn mede-Arabische en moslim-Amerikanen durfden de weken die volgden op `9/11' de deur niet uit, bang om op straat te worden lastig gevallen. Legio zijn de verhalen van taxichauffeurs, schooljongens en moeders met een Arabisch uiterlijk die toegeschreeuwd kregen dat zij maar naar huis moesten gaan. Een psychiater van Arabisch-Amerikaanse herkomst, met wie ik een afspraak had, zegde op het laatste moment af nadat in de Chicago Tribune een artikel had gestaan dat hem de stuipen op het lijf had gejaagd.

Het stuk ging over een voetbalelftal in Evansville (Indiana), ten zuiden van Chicago, waarvan alle leden, volwassen mannen, waren opgepakt nadat een hunner tegen zijn vrouw had geroepen dat hij zich te pletter ging rijden. Zonder hulp van een advocaat zaten zij vier tot zestien dagen vast, zonder ooit de `grand jury' te zien die hen ergens van zou moeten beschuldigen. Het enige dat zij gemeen hadden was hun Egyptische herkomst en hun liefde voor het ronde leer.

De psychiater durft thuis geen vrienden meer te ontvangen, bang dat zij als terroristische samenscholing zouden worden gearresteerd. Zo ver gaat Shakeel Chaughtai niet. Hij heeft zijn leven niet veranderd, het is voor hem veranderd. ,,De daders hebben mij als Amerikaan gekwetst, het meest omdat zij de naam van mijn godsdienst hebben misbruikt. De islam is de vreedzaamste religie die er bestaat. En ik kan niets doen om de vertrouwensbreuk weer te repareren. Niets. Het neemt niet weg dat ik pal sta voor dit land. Als ik een wapen moet opnemen om het te verdedigen, dan doe ik het.''

Ray Hanania neemt me mee naar het restaurant van een Afghaan die in Palestina terecht is gekomen, en daarna in Chicago. Het is om de hoek bij de klassieke wolkenkrabber waar hij als vice-president werkt bij een grote public relations firma. Als Amerikaan. Zijn Arabische leven houdt hij daarvan gescheiden. Op zijn privé website (ArabAmericanView.net) werkt hij aan de verbetering van het begrip tussen Amerikanen van Arabische en niet-Arabische afkomst.

Het bijvoeglijk naamwoord `moslim' kan er in Hanania's geval niet bij te worden genoemd. Hij is een christelijke Palestijn. ,,Ik word daarom dubbel gediscrimineerd'', vertelt hij grinnikend, ,,één keer door mijn moslimbroeders, en de rest van Amerika ziet mij als weer zo'n moslim.''

Hanania werd in Chicago geboren. Zijn vader kwam uit Jeruzalem, zijn moeder uit Bethlehem. Hij groeide op in een overwegend joodse buurt in Zuid-Chicago waar hij door schade en schande leerde dat hij een Arabier was, ook al houden beide groepen van hetzelfde eten en dezelfde dansen bij huwelijken. Later, toen hij had gestudeerd en via de wijkjournalistiek bij een grote krant in Chicago terecht was gekomen, beschreef hij zijn gespleten wereld in een boek met de opruiende titel I'm Glad I Look Like a Terrorist: Growing Up Arab in America.

Hij is nog steeds fel over de verkettering tussen bevolkingsgroepen, maar kan er ook het tragikomische van inzien. ,,Arabisch is een emotionele taal. Daar kun je geen goede gesprekken in hebben. Dat loopt altijd uit de hand. Arabisch is een lied, dat geeft veel misverstanden in vertaling naar het Engels. Het komt altijd negatief uit de bus omdat het zwaar overdreven aandoet. Als je Arabieren en Israëliërs op de tv ziet, zijn de Israëliërs in Amerikaanse ogen nuchter en zakelijk, terwijl de Arabieren lijken te schreeuwen. Een verloren zaak.''

Er zijn veertig moskeeën en 500 Arabische restaurants in Chicago. Hanania moedigt de Arabieren in de stad al jaren aan deel te nemen aan het openbare leven. De helft van de twee- à driehonderdduizend betrokkenen – de volkstelling deelt Arabieren in bij blanken – zeggen niet te geloven. Die roeren zich niet. De andere helft noemt zich moslim, van wie de helft niet deelneemt aan religieuze activiteiten. Een kwart is volgens hem actief moslim. Van de Arabische groeperingen in Chicago zijn er maar twee fel islamitisch, de overige 45 hebben de aanslagen van 11 september direct hard veroordeeld. Hanania constateert tot zijn leedwezen dat de `gewone' media alleen de harde moslims citeerden. ,,Zo werd het stereotype weer bevestigd dat iedere Arabier een fanaat is. Meer dan 800 mensen vertegenwoordigen deze lieden niet. President Bush richt zich overigens uitsluitend tot de moslims onder de Arabische Amerikanen. Dat is een gemiste kans om de nuances in onze wereld tot uitdrukking te brengen. Laat ie ten minste vertellen dat Elmo, de grootste fabrikant van Amerikaanse vlaggen, van Arabische herkomst is.''

De president gaf deze week aan de vooravond van de heilige vastenmaand Ramadan, die vanavond begint, een verklaring van respect uit voor moslims in Amerika en de rest van de wereld. Het gaf een gevoel van erkenning, ook aan drie Amerikaanse moslimburgers die zich niet buitengesloten voelen.

Op de campus van de University of Chicago zijn door een behulpzame Algerijnse historicus, die bezig is met een proefschrift over anti-semitisme in Frankrijk tussen '34 en '44, bevriende studentes bij elkaar gebracht om over hun leven na 9/11 te vertellen.

Maha Nassar is de meest orthodoxe moslim van het drietal. Zij draagt een hoofddoek en is daar fel over. Dit is haar niet opgelegd, zij is een vrije, zelfstandige studente in de talen en beschaving van het Midden-Oosten. Haar ouders komen uit Libië, zij groeide op in Bridgeview, de sterk Arabische voorstad van Chicago. Tijdens haar jaren op de islamitische middelbare school werd zij steeds religieuzer. Sinds 9/11 vertelt zij op scholen in de regio over het Midden-Oosten en over de islam. Zij kan de vraag nauwelijks aan.

Rena Barakat is ook gelovig moslim, al draagt zij de hoofddoek niet. Zij werkt aan een historisch proefschrift. Zij werd hier geboren, haar ouders kwamen uit Palestina. Voor haar zijn sluier en hoofddoek geen deel van de godsdienst. De taak van haar generatie is om assimilatie opnieuw vorm te geven. ,,Wij zijn Amerikaanse burgers, wij stemmen hier, wij maken deel uit van deze samenleving, maar we hoeven onze Arabische helft niet te verhullen. Wij moeten dit land zo veranderen dat wij onszelf kunnen zijn.''

Menna Eltaki is de jongste en de minst gelovige van de drie. Haar Egyptische ouders voedde haar in Ohio op. Zij studeert economie. Men heeft haar aangeraden bij het zoeken van een baantje niet haar volle naam in te vullen. Menna is een afkorting, in haar volledige voornaam komt `allah' voor. Ondanks deze voorzorg heeft zij nog geen enkele reactie gekregen. Zij is zich ervan bewust tussen twee werelden te leven. In Egypte ziet men haar niet meer als één van hun. Hier voelt zij zich anders omdat zij de wereld buiten Amerika ruimer en reëler ziet dan de meeste Amerikaanse leeftijdgenoten. ,,Ik ben er niet verdrietig over. Ik zie de nadelen van beide werelden.''

De drie studentes zijn volstrekt loyaal aan hun wortels, zowel in de Arabische als in de Amerikaanse werkelijkheid. Zij bekennen ook regelmatig online de BBC en de Israëlische krant Ha'Aretz te lezen. Daar vinden zij opinies in die zij in The New York Times en The Washington Post niet tegenkomen.

Zij zijn wereldburgers, ook al hebben zij door de aanslagen van 11 september voor het eerst het gevoel dat de Arabisch-Amerikaanse minderheidsgroep is erkend. Dat is winst, vinden zij, hoewel niet altijd prettig.

Ten noordwesten van `The Loop', het centrum van Chicago, staan elegante woontorens langs Lake Michigan. Cherif Bassiouni gaat gastvrij met zijn rug naar het raam zitten om mij van het uitzicht te laten genieten, hoewel er binnen een wereld van oosterse kunstnijverheid valt te bewonderen. Bassiouni is hoogleraar internationaal strafrecht aan DePaul University en geldt als terrorisme-specialist. President Carter vroeg hem op te treden als advocaat van de Verenigde Staten tijdens de gijzeling van het Amerikaanse ambassade-personeel in Teheran. Met zijn Egyptische achtergrond kon hij soms bemiddelen in het Midden-Oosten-conflict. Recenter onderzocht Bassiouni voor de Veiligheidsraad de misdrijven tegen de menselijkheid in Bosnië. Hij zit de commissie voor die het handvest voor een internationaal strafhof opstelt.

Bassiouni ervaart als moslim in de Verenigde Staten ook wel negatieve sentimenten, maar hij noemt zichzelf ,,de verkeerde meetlat''. Hij staat er als persoon boven. Hij geeft er de voorkeur aan met zekere, brede penseelstreken een beeld van `de oorlog' te schetsen waarin het wederzijdse onbegrip tussen Amerika en de Arabische en moslimwereld centraal staat.

,,Iedereen is hier zo van slag omdat de Verenigde Staten nog nooit door een echte ramp zijn getroffen. Overigens is het aantal World Trade Center- en Pentagon-slachtoffers gering vergeleken bij de 40.000 verkeersdoden die ieder jaar vallen, de 35- à 37.000 mensen die jaarlijks worden vermoord. Dit is een gewelddadig land. Nog afgezien van de tienduizenden die sterven aan ziekenhuisinfecties. Het kwam alleen zo hard aan omdat het op één moment gebeurde. De mythe van onkwetsbaarheid werd weggeblazen.''

Wat er vervolgens gebeurde, is volgens Bassiouni terug te voeren op een paar typisch Amerikaanse trekken. ,,Deze cultuur is gewend een probleem een naam en een gezicht te geven. En men verwacht een directe oplossing, onmiddellijke genoegdoening. Het gezicht werd Bin Laden, het adres Afghanistan. Vervolgens zijn massale middelen ingezet omdat het publiek recht had op zijn overwinning. Dat kwam goed uit, want alle krijgsmachtonderdelen wilden al hun eenheden en wapens inzetten. Ik weet als voormalig commando van het Egyptische leger wat voor opleiding je ongeveer nodig hebt voor dat soort werk. Hier in de VS hebben ze Rangers, Green Berets, Mountain Division, Delta Force, Seals en nog zo wat. Die moeten allemaal aan de bak komen. En dan heb je nog nieuwe onbemande vliegtuigen en nieuwe munitie, die kraters slaat ter grootte van vijf voetbalvelden. Er is geen enkel wapensysteem niet getest. Met Cheney, Bush, Rumsfeld, Myers en Rice heb je allemaal mensen die zich volledig inzetten voor waar Eisenhower al tegenop liep: het militair-industrieel complex. Zij zien geen onderscheid tussen de industriële, zakelijke en nationale veiligheidsbelangen van de Verenigde Staten.''

De effectiviteit van de hulp aan de bevolking van Afghanistan, het succes op langere termijn van de campagne, de kansen op een vreedzame coalitieregering na afloop, kunnen niet zomaar worden aangesneden. Als Arabische Amerikaan moet hij zorgen alleen patriottische vragen te stellen, `in de rood-wit-blauwe vlag gewikkeld', stelt Bassiouni ironisch vast.

Veel moskeeën laten de Amerikaanse vlag wapperen. ,,Moslims in Amerika voelen zich nu genoodzaakt zich extra vaderlandslievend voor te doen, om maar geaccepteerd te worden. Dat hoefden Amerikanen van Servische komaf niet te doen toen Servië werd gebombardeerd.''

Hij schetst hoe het vijandbeeld zich in de Verenigde Staten heeft ontwikkeld sinds Het Gele Gevaar (toen Nationalistisch China werd omarmd). Na de aanslag op de Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen van 1972 in München stond in Amerika een Palestijn gelijk aan een terrorist. Bassiouni: ,,Palestijnen hebben ook heel wat aangericht, maar vergeleken bij ETA, IRA en Baader Meinhof-groep was het beperkt.'' Midden jaren tachtig nam de spanning in het Midden-Oosten toe, werden groepen als Hezbollah en Hamas actiever en veranderde volgens Bassiouni het schrikbeeld van Palestijn = terrorist in islam = terreur.

Het duurde even voor Amerika daar de tv-beelden bij had. Maar nu zijn de arme, jeugdige en ondervoede massa's in de moslimwereld en het beeld van mannen met baarden en tulbanden in Amerika synoniem met het dreigende gevaar.

Bassiouni: ,,In de Arabische wereld ziet men dat imago ook en denkt: Amerikanen haten ons, zij denken dat zij superieur zijn. De Verenigde Staten als arrogante natie, dat is de onderstroom in de meeste moslimlanden. Het is maar een kleine stap naar: zij hebben verdiend wat zij op 11 september hebben geoogst. De afkeer van de VS staat overigens los van de houding ten opzichte van individuele Amerikanen. Andersom schrikken Amerikanen nu van het beeld dat zij in de spiegel zien: Arabieren en moslims haten ons, terwijl wij zulke goede mensen zijn''.

President Bush doet alsof Bin Laden en Afghanistan het enige probleem zijn, vindt Bassiouni. ,,Maar het gaat om een wereldwijde beweging. Amerika kan superioriteit in de lucht en op zee afdwingen, maar de echte strijd woedt op straat, in al die landen waar de Verenigde Staten corrupte regimes hebben gesteund, waar de waterleiding het nog steeds niet doet en waar de islam de laatste hoop op een leven zonder armoede en slecht bestuur biedt. Op straat kan Amerika de arme moslimmassa's niet voor zich winnen. Deze oorlog tegen Bin Laden kan alleen maar falen.''

    • Marc Chavannes