Quadriënnale van Gent is klein Las Vegas

Het woord `CASINO' dat in grote letters op de gevel van het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (SMAK) in Gent geschreven staat, herinnert nog altijd aan de oorspronkelijke functie van het gebouw. Voordat de ruimte in 1999 werd ingericht als kunstmuseum, deed het pand dienst als gokpaleis. Waar nu de installaties van kunstenaars als Beuys en Kabakov opgesteld staan, rolden vroeger de munten over de roulettetafels en klonk het geratel van eenarmige bandieten.

Die oude tijden lijken de komende maanden te herleven, want voor de tentoonstelling CASINO 2001 is de benedenverdieping van het SMAK omgetoverd in een klein Las Vegas. Kitscherige kerstverlichting hult het gebouw in een sprookjesachtig licht. Boven de kassa's worden duizelingwekkende filmbeelden geprojecteerd van de Strip in Las Vegas, de straat waar exorbitante hotels en casino's elkaar naar de kroon steken. En op een monitor in de entreehal zijn videobeelden te zien van mensen die wanhopige pogingen doen om ronddwarrelende dollarbiljetten uit de lucht te vissen.

CASINO 2001 is de eerste Quadriënnale voor Hedendaagse Kunst die het SMAK organiseert. Het is de bedoeling dat deze grootschalige tentoonstelling met werk van jonge kunstenaars iedere vier jaar een vervolg krijgt en steeds door een andere curator wordt samengesteld.

Voor de eerste aflevering werd de nog onbekende Jeanne Greenberg Rohatyn uit New York aangesteld als artistiek leider. Zij selecteerde zestig kunstenaars die zich in hun werk laten inspireren door of kritiek leveren op de consumptiecultuur, de massamedia en de wereld van het amusement.

De meeste kunstenaars die aan CASINO 2001 deelnemen zijn opgegroeid in de jaren zeventig. Het is een generatie die is grootgebracht met televisie en video, die dweepte met popsterren en filmidolen en die tot de eerste gebruikers van computergames behoorde. In navolging van de Pop Art-kunstenaars die in de jaren vijftig en zestig een verbond aangingen met de populaire cultuur, zetten deze kunstenaars beelden uit reclame, televisie, film en fotografie naar hun hand. De videocamera of computermuis zijn voor hen net zulke vanzelfsprekende gereedschappen geworden als het penseel en het potlood voor de kunstenaars uit voorgaande generaties waren.

Het gevolg is dat de traditionele scheidslijn tussen `hoge' en `lage' kunst - tussen de beeldende kunst en de massacultuur - steeds onscherper wordt. Op de tentoonstelling in Gent is goed te zien hoe de hedendaagse kunst een vorm van entertainment is geworden. Het museum is een pretpark, waar je van de ene attractie naar de andere geleid wordt, en waar je in iedere zaal een nieuwe `ervaring' kunt ondergaan. De Belgische kunstenaar Ann Veronica Janssens bijvoorbeeld, vulde een ruimte met dikke mist, waarin je op de tast je weg moet zoeken. En in de pikdonkere zaal van de Engelse kunstenaar Darren Almond kun je een ritje door een spookhuis maken. Zijn video Geisterbahn (1999) is zo groot geprojecteerd dat je haast het gevoel krijgt zelf in een achtbaan te zitten.

Veel kunstenaars verwijzen in hun werk naar de cultuur van Amerika, het land waar amusement haast tot een kunstvorm verheven is. Zo liet Cameron Jamie uit Los Angeles zich inspireren door de typisch Amerikaanse worstelwedstrijden, waarbij uitzinnig uitgedoste spierbundels elkaar op theatrale wijze te lijf gaan. Jamie maakte een sobere documentaire over tieners uit Amerikaanse buitenwijken die in hun achtertuinen de bewegingen van hun worstelhelden nabootsen. Zijn landgenoot Ben Edwards nam een ander Amerikaans fenomeen onder de loep: de shoppingmall. In zijn overdonderende schilderij Convergence (2001) combineerde Edwards bijna 250 afbeeldingen van fastfoodrestaurants, Walmartsupermarkten en Starbuckwinkels tot een fraai labyrint van lijnen, vormen en kleuren.

Dat het ook in een casino niet alles goud is wat er blinkt, wordt duidelijk naarmate je dieper in het museum doordringt. Greenberg heeft haar tentoonstelling zo ingericht dat er een duidelijk verloop te zien is van oppervlakkige glitter en glamour naar meer duistere zaken als verslaving, corruptie en geweld. Zo laat de Amerikaan Slater Bradley beelden uit een `reality tv'-programma zien, van een vrouw die op het punt staat om van een hoog gebouw te springen, en levert het Engelse kunstenaarspaar Tim Noble en Sue Webster commentaar op de Amerikaanse consumptiecultuur met hun ronddraaiende bergen huisafval.

Ver weg van het spektakel, in een van de laatste tentoonstellingszalen van het SMAK, draait een film van het Nederlandse duo Jeroen de Rijke & Willem de Rooij die de keerzijde van het westerse kapitalisme treffend verbeeldt. De film Bantar Gebang (2000) - misschien wel het beste werk op de tentoonstelling - toont vanuit een vast camerastandpunt het gloren van de dageraad in een Indonesische sloppenwijk. Langzaam wordt het lichter en beginnen de vogels harder te fluiten. Afgezien van een enkel kind of dier dat het beeld in of uit loopt, gebeurt er minutenlang niets. En toch blijf je ademloos kijken. Bantar Gebang is een film die de draak steekt met het Hollywoodcliché van de zonsondergang. Het is een kunstwerk dat je weer met beide benen op de grond zet - alsof je na een nacht gokken in Las Vegas plotseling in het felle daglicht staat en ontdekt hoe de wereld er in het echt uitziet.

Tentoonstelling: CASINO 2001 - Eerste Quadriënnale voor Hedendaagse Kunst. T/m 13 jan 2002 in het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (Citadelpark) en het Bijlokemuseum (Godshuizenlaan 2) in Gent. Di t/m zo 10-18u. Catalogus BF 850. Informatie: www.quadriennale.be.

    • Sandra Smallenburg