Patiënt moet bovenal recht worden gedaan

Jarenlang hebben artsen aangehikt tegen het uitblijven van een fatsoenlijke wettelijke regeling voor euthanasie. Belangrijkste grief was dat het verlenen van euthanasie hen in beginsel criminaliseerde, alle gedogen ten spijt.

Maar nu de wet er eenmaal is, zegt een aantal van diezelfde artsen dat ze zich door deze regeling over een grens geduwd voelen die ze niet over willen. Evenzo hebben artsen voor zichzelf een prominente plaats in de besluitvorming bepleit en nu die prominente rol er is, kunnen ze er niet mee overweg.

Het artikel van Margriet Oostveen laat zien hoe dit onvermogen in de praktijk uitpakt. Er staan uitspraken in om van wakker te liggen. ,,Er zijn een paar mensen aan euthanasie doodgegaan van wie ik nu denk: als ik toen wist wat ik nu weet, dan was het anders gelopen.'' De dokter in een sturende rol dus. Diezelfde arts is opgevallen dat sinds zij het `E-woord', euthanasie, niet meer noemt, mensen er ook niet meer om vragen. Ze lijkt er zelfs trots op.

Een andere arts signaleert ,,krokettenautomatisme: gooi er geld in en er komt een kroket uit – gooi er een verzoek in en er komt euthanasie uit.'' Zelden las ik van een arts een zo vergaande diskwalificatie van zichzelf: hij lijkt niets te begrijpen van het verschil tussen hoe sommige mensen iets zeggen en wat ze bedoelen en al helemaal niet hoe een aantal mensen komt tot `eisen'.

Er past wel enige relativering: de uitspraken worden gedaan door een beperkt aantal artsen en uit het artikel blijkt niet dat deze opvattingen representatief zijn voor de totale beroepsgroep. Maar het is wel zo dat de uitspraken worden gedaan door een aantal artsen die meer dan gemiddeld met euthanasie te maken hebben (ze zijn beschikbaar als consulent voor andere artsen) en daarmee kunnen ze een uitstralend effect hebben op zowel de beroepsgroep als op de samenleving. Als dit geautoriseerde uitspraken zijn – en daar ga ik van uit – illustreren deze artsen een houding die enerzijds getuigt van onderschatting van wat mensen zelf kunnen bepalen en anderzijds getuigt van gevaarlijke zelfoverschatting.

Het moet en kan gelukkig anders. Artsen hebben met het leven te maken en dus ook met het einde van het leven. Aan dat einde kan iemand in een uitzichtloze levenssituatie komen. De kern lijkt mij dat voor iemand in zo'n (euthanasie)situatie de intussen gevleugelde uitdrukking `uitzichtloos en ondraaglijk lijden' een tautologie is geworden: er staat tweemaal hetzelfde. Het uitzichtloze maakt het lijden ondraaglijk.

Een arts die dit ziet, weet een positie te bepalen waarin hij zichzelf en de patiënt recht doet. Hij bespreekt eerlijk de feitelijke situatie en vooruitzichten en schetst de even belangrijke als beperkte mogelijkheden van verlichting van lijden. Vervolgens is het aan de patiënt om keuzes te maken.

In de praktijk gebeurt dat in goede samenspraak met de arts waarbij de laatste aan zijn patiënt ook de ruimte voor keuzes laat. Laat hij die ruimte niet, dan is het gedaan met de communicatie en vervalt een patiënt in bijvoorbeeld stilzwijgen of juist in aanhoudend claimend gedrag. De kunst van de arts is een zodanig klimaat te creëren waarin de patiënt een gewetenskeus kan maken. En voor een gewetenskeus hoeft niemand bang te zijn want wie zo'n keus maakt houdt altijd rekening met de ander, zeker met de pijn van de ander. Andersom: wie geen rekening houdt met de nabije naaste, maakt geen gewetenskeus.

De arts die inziet dat voor zijn patiënt geen andere reële weg meer is dan het zelfgewilde einde, zal de gevraagde hulp willen verlenen, wetend daarmee de laatst mogelijke hulp te verlenen. De euthanasiewet die op 1 januari aanstaande van kracht wordt, zal bij deze even bescheiden als duidelijke positiekeuze van artsen kunnen functioneren zoals die is bedoeld, namelijk als een geruststelling dat het leven niet eerst tot de laatste steen hoeft te worden afgebroken alvorens het de patiënt is vergund om te sterven.

Hans van Dam is verpleegkundige en docent, gespecialiseerd in neurologie en ethiek.