Nonsensus

Als een polder volstroomt, loopt iedereen de kans te verdrinken. Dus is Nederland een consensusland, waar een van de oudste wetten luidt: wie niet meedijkt in nood, verbeurt zijn erf. Samenspraak en saamhorigheid maken dit land tot het mooiste ter wereld. (Het tekent overigens de cynische bruinrot in de maatschappij dat ik mij min of meer verplicht voel hieraan toe te voegen dat ik dit echt meen, en niet ironisch bedoel). Maar mijn eerbied voor overleg en overeenstemming beperkt zich tot mijn rol als staatsburger. Als wetenschapper denk ik daar heel anders over, want de echte onderzoeker is even bereid tot consensus als de modale tyrannosaurus. Een lieve roofhagedis komt niet aan de kost. Evenals dat opmerkelijke dier, bijten wij omdat het in onze aard ligt, en niet uit valsheid. Een onderzoeker die kool en geit spaart, ontdekt nooit iets nieuws.

In sociaal opzicht is een aardig land als Nederland dus volkomen ongeschikt voor de wetenschap. Je moet dan ook niet raar opkijken van de praktijken hier te lande: een half dozijn straatarme onderzoeksinstellingen, schijnheilig gesteund door evenveel stinkend rijke industrieën, bedelend bij de minister van OCW om het grootste bedrag dat de stakkertjes durven fluisteren: maar liefst honderd miljoen euro! Alleen al aan achterstallig onderhoud van universitaire gebouwen en hun inventaris is het tienvoudige nodig. Honderd miljoen daarvoor koop je nauwelijks een binnenband voor de fietsen in Nederland. Waarom geen realistisch bedrag gevraagd? Omdat dat in de achterkamertjes van de consensus allang uitonderhandeld is, zodat zijne excellentie straks met een fraai gebaar kan komen. Hoe weinig honderd miljoen eigenlijk is, blijkt als in diezelfde week aan het licht komt dat 's lands bouwbedrijven de belastingbetaler voor tienmaal zoveel per jaar oplichten.

Toch is wetenschap een maatschappelijk verschijnsel, en moet worden begrepen en beschermd binnen dezelfde polderdijken die er zijn voor iedereen. Maar de wetenschap doet een beroep op karaktereigenschappen die je elders in de maatschappij niet vindt, behalve misschien in sport en kunst. Vandaar dat het nooit echt botert tussen die groepen en de rest. Sporters worden soms tegen de goegemeente beschermd door hun sterstatus, en sommige kunstenaars eveneens. Maar wetenschappers zijn hier nooit sterren, en dat is maar goed ook, want ik vind dat een onderzoeker moet blijven uitleggen waarom onderzoek ipso facto onverenigbaar is met het mooiste in onze maatschappij: de bereidheid een stapje opzij te gaan, te streven naar de gulden middenweg.

Er bestaat zeker zoiets als consensus binnen de subcultuur van de wetenschap, maar die is veel scherper alles-of-niets dan in de maatschappij gebruikelijk is. Want als wij het ergens over eens zijn, zijn wij zo eenstemmig dat het eigenlijk geen punt van discussie meer is. Voor een wetenschapper is de Zon niet een onberekenbare god met grimmig gloeiend gelaat, maar een gigantische bol van gas die straalt door kernreacties in het binnenste. De Aarde is een bol met een doorsnede van dertienduizend kilometer, en alleen een gek met gebruiksaanwijzing denkt dat zij plat is. Onze erfelijke eigenschappen liggen vast in de moleculen van DNA in onze cellen, dus een zwangere vrouw die van een paard schrikt zal daardoor nooit een kind met hoefjes baren.

Daar begint dan al meteen de wrijving met de maatschappij. Omdat er echte feiten bestaan, die alleen door sufferds of kwaadwilligen worden ontkend, zijn wetenschappers niet gauw geneigd water in hun wijn te doen, ook niet om de lieve vrede. Schiphol maakt een pestherrie tot ver in de omtrek, basta. De minister van Verkeer en Waterstaat doet net alsof dat niet zo is, door de meetpalen expres daar te zetten waar de vliegtuigen gas terugnemen. Wetenschappelijk gezien is dat grof bedrog, maar het consensusparlement slikt het. En zo staan onderzoekers al gauw bekend als eigenwijs, arrogant, en geneigd tot ruzie. In een cafégesprek moet je je wetenschappelijkheid laten varen, anders ben je een compromisloze zeurpiet met wie het slecht drinken is.

Wetenschappelijke consensus wordt door buitenstaanders vaak aangezien voor de bescherming van kaste-privileges. Ik heb zelfs eens iemand horen beweren dat geen mens ooit op de Maan is geland, maar dat de hele show in de woestijn van Arizona is gespeeld. Als bewijs werd aangevoerd dat NASA zoveel geld kostte: al dat zwijggeld dat moest worden betaald, nietwaar? Maar die privilege-praat miskent de uiterst pijnlijke manier waarop die consensus is bevochten.

Daarmee komen we aan de keerzijde van de consensus. Als wij het namelijk ergens niet over eens zijn, kun je er van lusten. Een wetenschapper die ooit eens levend gevild is op een internationale conferentie, of een ander heeft zien (of helpen) villen, vindt `maatschappelijke kritiek' slappe thee, en de `tucht van de markt' gewauwel van watjes.

Waar geen consensus is, daar wordt het leuk. Daar valt iets te ontdekken, daar waait de verkwikkende geur van kruit en dynamiet. De mogelijkheden zijn, in het begin, eindeloos: het verbluffende experiment, de geniale theorie, liggen ergens voor het oprapen. De vermetele die het oppakt, gaat daarover geen maatschappelijke discussie voeren, dat zou makkelijk zijn. Je moet je zogenaamde vondst ter beoordeling voorleggen aan de Natuur zelf. Een heel enkele keer blijkt dan dat je `gelijk hebt' dat wil zeggen, je nieuwe verhaal strookt met de bekende feiten, je kunt op grond daarvan voorspellingen doen voor nieuwe waarnemingen, en die blijken ook te kloppen.

Leve de gelukkige, bravo voor zijn of haar durf: ces hasards ne sont que pour ceux qui jouent bien. Ook daarover bestaat een maatschappelijke misvatting, namelijk het sprookje van de alles omverwerpende held. Maar het moeilijke van de wetenschap is nu juist, dat je de bestaande vondsten en feiten intact moet laten. Je theorie kan nog zo mooi zijn, en kloppen met van alles en nog wat, maar als je daarmee voorspelt dat de Aarde een kubus is, ga je nat met je hele verhaal. Nadat de kruitdamp is opgetrokken, vindt een soort verbroedering en gewenning plaats, en wordt de nieuwe vondst ingelijfd bij het corpus van de consensus.

Helaas is er wel een andere vorm van sociale consensus in wetenschappelijke kringen, maar die is bijzonder griezelig: de consensuskliek, de mutual admiration society. Het motto van zo'n groep is: I'll scratch your back if you scratch mine, precies als die frauderende aannemers. Zij citeren alleen of voornamelijk elkaars werk, ze jatten bijna niet van elkaar maar des te meer van anderen, ze duwen promovendi en postdocs rond langs hun instituten. Op door henzelf georganiseerde conferenties geven zij bijna steeds dezelfde voordracht: jaren achtereen krijg je varianten op de oude PowerPoint-prutserij voorgeschoteld. Op die bijeenkomsten worden voornamelijk mensen uit de eigen kliek uitgenodigd, of althans betaald. Juist zo'n consensuskliek kan meestal rekenen op sociale erkenning, want de optredende mechanismen lijken sterk op wat elders in de maatschappij gebruikelijk is.

Hun publicaties lees ik nauwelijks. Alleen werk dat mij verplicht mijn mening te herzien, is de moeite van het lezen waard. Dat spaart weer een hoop tijd uit. Wetenschappelijke consensus is beslist waardevol, maar niet erg boeiend. Zodra ergens consensus intreedt, wordt het tijd om dat deel van het vak te gaan doceren aan het jongvolk, en eens aan de kuierlatten te trekken op weg naar spannender terrein. Inmiddels bewijs ik door dit stukje weer, hoe Nederlands ik ben door te willen uitleggen waar die incompatibilité d'humeurs vandaan komt, en vooral dat die echt onvermijdelijk is. Dus als u een vurig pleidooi wilt voor ons nationale enerzijds/anderzijds karakter, kunt u op mij rekenen. Maar als het over onderzoek gaat, ben ik net zo inschikkelijk als Djengis Khan.

    • Vincent Icke