`Ik besta bij de gratie van taal'

Cabaretier en schrijver Vincent Bijlo (36) heeft nog drie zintuigen over. Hij is blind en raakt langzaam doof. Hij ervaart aan den lijve hoezeer de tijdgeest een steeds grotere drang naar perfectie ademt. `Ik ga nauwelijks met blinden om. Het is mijn wereld niet.'

Een gebergte bestaat voor mij omdat ik er doorheen kan lopen, maar een totaalbeeld van een berg met toppen en ravijnen en kloven heb ik niet. Ik begreep pas hoe de Beurs, gebouwd door mijn overgrootvader Berlage, er uitzag toen ik een maquette voelde. En ik ontdekte pas aan een afgezaagde boom dat aan een stam vertakkingen zitten. Van wat ik niet kan voelen heb ik alleen een fragmentarisch beeld. Ogen bijvoorbeeld: geen idee hoe die er uitzien. Bij minutieuze beschrijvingen in de boeken van Couperus en Van Deyssel kan ik me niets voorstellen.

,,Ik mis een referentiekader. Jij kunt dat soort beelden toetsen aan alles wat je in je leven ooit gezien hebt, maar voor mij is het platte, saaie tekst. Beschrijvingen van interieurs: ik kan die voorstellingen niet reproduceren. Kleuren bestaan alleen als woorden. Een spijkerbroek is blauw, gras is groen, dat zijn de feiten, maar ik weet niet wat blauw is. Het is te vergelijken met het je eigen maken van een technisch jargon zonder dat je weet waar je het over hebt. Ik kan het beste uit de voeten met puur verhalende schrijvers als A.F.Th. van der Heyden, Maarten 't Hart. En met poëzie. Omdat poëzie, als het goed is, altijd een sublimatie is van beelden. Zinnen zoals bijvoorbeeld Szymborska ze schrijft: `In stilte voltrekt zich iemands niet meer verder kunnen, onder kabaal iemands weggrissen van iemands brood en iemands schudden aan zijn dode kind.'

,,Tijdens mijn studie heb ik onderzoek gedaan naar de rol van zicht in de literatuur. Die is bijzonder groot. Ik heb lang gedacht dat het onmogelijk was om een roman te schrijven waarin het zicht afwezig is, maar het blijkt te kunnen. In mijn boeken hebben beschrijvingen betrekking op smaak, geur, tast of gebeurtenissen. En geluid. Voor jou is geluid het behang, maar voor mij is het de muur zelf.

,,Ik word langzaam doof. Zonder mijn gehoorapparaten hoor ik bijna niks. De zintuigcellen die het geluid overbrengen van mijn binnenoor naar mijn gehoorzenuw sterven langzaam af. Het is een ziekte die veroorzaakt wordt door hetzelfde gen als mijn blindheid. Mijn broer heeft dat gen ook. Hoe snel het proces gaat weet niemand, dus leef ik bij de dag. De achteruitgang van mijn gehoor heeft me er alleen maar bewuster van gemaakt dat het leven daar ook voor bedoeld is. Stel, ik ben over tien jaar behalve blind ook doof, dan zal ik niet zeggen: voor mij hoeft het niet meer. Ik houd tenslotte nog drie zintuigen over.

,,Een idee van een levensvorm? Nee dat heb ik niet, en daar wil ik me ook niet mee bezighouden. Ik anticipeer niet op het moment dat ik niets meer hoor. Het heeft geen zin om te tobben over iets wat mogelijkerwijs zou kunnen gebeuren maar nog niet gebeurd is. Dat past niet bij mijn levensinstelling. Ik ga er vanuit dat de vooruitgang in de techniek het wint van de achteruitgang van mijn gehoor. Ze kunnen tegenwoordig al een versterkertje inpluggen op je zenuwen zodat je oor buitenspel komt te staan. Wanneer je dat vergelijkt met zestien jaar geleden. Als ik nu mijn apparaten van toen indoe, hoor ik een vervormd geknepen geluid dat nog het meeste lijkt op het geluid uit nazi-propagandafilms.

,,Ik merkte voor het eerst iets van die doofheid op de middelbare school. Ik zat achter in de klas en verstond de docent niet meer. Aanvankelijk wilde ik er niet aan. Mijn verklaring was: ik hoor die docenten niet omdat ik ze niet wil horen. Ze zijn niet boeiend. Pubertaal. Die ontkenning was niet lang vol te houden. Op een gegeven moment ben ik vooraan in de klas gaan zitten, ik had geen andere keuze. Toen ik ging studeren, dacht ik: nu begin ik aan een nieuwe fase in mijn leven, nu neem ik voor beide oren een gehoorapparaat, er zit niks anders op.

,,De ziekte kwam niet eerder voor in de familie. Na de geboorte van mijn oudere broer ontdekten de artsen dat mijn moeder draagster was van dat bewuste gen en er 50 procent kans bestond dat ze het op mannelijke nakomelingen zou overdragen. Toen hebben mijn ouders gezegd: of we nou nog een blind kind krijgen of niet maakt niet zoveel uit, maar we willen onze oudste niet alleen laten opgroeien. Vervolgens kwamen wij: de tweeling, mijn ziende zusje en ik. Met mijn broer deelde ik het blind-zijn, mijn zusje was mijn ogen. Zij keek voor twee. Voelde zich, als enig ziend kind, ook verantwoordelijk voor ons.

,,Ik vind de beslissing van mijn ouders stoer en geweldig. Ze hebben het leven genomen zoals het zich aandient. En daarmee is de toon van mijn bestaan gezet, want binnen die context leer je een handicap behoorlijk relativeren. Zonder mijn ouders had ik waarschijnlijk nooit een stap op het toneel gezet. Speciale aanpassingen voor ons vonden ze niet nodig. Ze hebben nooit ook maar een vaas bloemen aan de kant geschoven om te voorkomen dat wij die zouden omgooien. We moesten er maar rekening mee houden dat die vaas bloemen er stond. Dat vind ik ook de juiste instelling.

,,Ik heb mijn ouders nooit een seconde hun keuze om mij geboren te laten worden verweten en kan me niet voorstellen dat ik dat ooit zal doen. Wanneer de discussie gaat over prenatale diagnostiek en daarmee over de mogelijkheid om bepaalde groepen mensen uit te sluiten van het leven, voel ik me aangetast in mijn bestaansrecht. Ik behoor voor sommigen tot zo'n groep en dat raakt me emotioneel.

,,De tijdgeest kent een steeds grotere drang naar perfectie. Ziek is uit, gehandicapt is uit. Met allerlei moderne gentechnieken, prenatale testen wordt de wereld steeds maakbaarder, een begrip dat ooit socialistisch was, maar nu bepaald niet meer. Mensen denken dat wanneer ze de techniek meer in de hand hebben de wereld perfecter wordt. Een illusie. Je kind kan ook op zijn tweede onder een auto komen of junk worden. Het zou beter zijn om te leren om te gaan met het leven zoals het komt, dan je te laten leiden door die krampachtige drang naar perfectie.

,,Het is ook zo Amerikaans. Meisjes die op hun achttiende, van hun ouders nog wel, een borstvergroting krijgen. Verschrikkelijk. De mens wordt gedevalueerd tot een pop. Het heeft ook met angst te maken voor alles wat afwijkend en vreemd is. En het erge is, hoe minder mensen er komen die afwijken, hoe groter de angst en hoe schever de beoordeling van degenen die afwijken. Daarom ben ik er voorstander van om gehandicapten zo snel mogelijk de wereld in te sturen in plaats van ze te isoleren. Dat is ook de boodschap van `Het instituut', de roman die handelt over de tijd dat mijn broer en ik op het blindeninstituut zaten. Ik heb met dat boek willen zeggen dat blindheid als handicap niet zwaar genoeg is om mensen daarvoor op te sluiten in een reservaat. Je slaat op die manier mensen alle wapens uit handen waarmee ze zich in de echte wereld moeten verdedigen. Je maakt ze minder weerbaar door ze te isoleren. Ik ben nog wel eens oud-leerlingen van het instituut tegengekomen en dat zijn bijna allemaal vrij weerloze mensen geworden die, gemeten naar hun intelligentie, in veel te lage functies zijn terechtgekomen. Eeuwig zonde. Gelukkig is het nu aan het veranderen.

,,Ik ga zelf nauwelijks met blinden om. Heb iets tegen dat soort samenscholingen. Het is mijn wereld niet. Mijn wereld is jouw wereld, de wereld. Mijn bezwaar tegen gehandicaptencircuits is ook dat ze hun eigen problemen uitvergroten. Ze bestempelen zichzelf tot slachtoffer, de anderen tot de verantwoordelijken voor de oplossing van hun probleem. Denken in wij en zij. Terwijl het zo niet in elkaar zit. We leven met elkaar in deze wereld en moeten die met elkaar leuk maken. En dat bereik je niet door je te beklagen. Wel door mee te bouwen.

,,In de tijd dat wij opgroeiden was het nog de gangbare opvatting dat blinde kinderen beter naar een blindeninstituut konden gaan. Iedereen zat daar intern, maar dat wilden mijn ouders niet. We zijn uit Amsterdam naar Bussum verhuisd, zodat we toch thuis konden blijven wonen.

,,De herinnering aan het instituut is verbonden met gevoelens van zinloosheid en eenzaamheid. Het geluid dat ik ermee associeer is dat van de aangrenzende A1, waar zware vrachtwagens overheen denderden. Een luguber geluid. Ik begreep niet wat ik daar deed en waarom ik daar zat. De groepsleiding liet niet na ons fijntjes onder de neus te wrijven dat wij, als enige externen, tot een andere categorie behoorden. Ze aten daar 's middags warm en er was een lieve leidster die had gevraagd of ik ook een bordje meeat. Waarop de hoofdleidster langskwam en zuinigjes zei: zozo, eten van twee walletjes. Als kind voel je je daar schuldig onder. Alsof je minderwaardig bent.

,,In '78 ging ik naar een gewone, middelbare ziendenschool. Aanvankelijk was ik bang. Ineens werd ik omgeven door tientallen krijsende kinderen. Ik werd gek van al die stemmetjes. Op het instituut zat je met drie of vier mensen in de klas, soms drie uur achter elkaar, en ineens bevond ik me op een school met twaalfhonderd leerlingen waar je elk uur van lokaal moest wisselen. Dat vergde enige aanpassing. Ik was in het begin doodop als ik thuis kwam, maar langzaam vond ik mijn draai.

,,Tijdens mijn puberteit heb ik wel momenten gehad dat ik ernaar verlangde om te kunnen zien. Niet uit wanhoop maar gewoon: om meisjes te kunnen bewonderen, op een brommer te kunnen scheuren. Ik vind het nog steeds een ramp dat ik geen auto kan rijden. Als ik het zou kunnen, zou ik het misschien niet eens doen, maar het pure feit dat die deur dichtgeslagen is. Overigens heeft blind zijn ook zijn prettige kanten. Mensen worden geregeerd door vooroordelen, het uiterlijk voorop. Daarbij laten ze zich leiden door primaire, kinderachtige dingen. Als heel Zuid-Afrika blind was geweest, had apartheid niet bestaan. Natuurlijk heb ik de stem waar ik op let, maar het voordeel van een stem is dat hij altijd vergezeld gaat van inhoud.

,,Op school maakte ik kennis met de oervorm van cabaret. De klas was mijn eerste podium. Ik ontdekte de macht van de taal. Dat je met woorden leraren uit balans kunt brengen, maar ook ondanks zichzelf kunt laten meelachen. Toch was de gedachte aan cabaretier nog ver weg. Ik ben Nederlands gaan studeren met het idee om literair journalist te worden. Ik heb een oom die journalist is, Max van Rooy, en dat leek me wel wat. Maar tijdens mijn studie veranderde mijn kijk op het literaire circuit. Het was niet de geestelijk vrije wereld die mij voor ogen stond. Bovendien kwam ik erachter dat ik meer verwantschap voelde met de scheppende, dan met de beoordelende partij. Toen ik tweede werd bij het Leids Cabaretfestival, is de bal gaan rollen. Aanvankelijk was het voor mij een rare stap om het toneel op te gaan. Ik was gewend om zo weinig mogelijk over blindheid te praten, maar in mijn voorstellingen speel ik er altijd mee. Het is ook zo'n onvervreemdbaar deel van mezelf. Ook in mijn nieuwe programma, de Beurs van Bijlo, cirkelt het weer om blindheid met als kernvraag: wat heb ik nog te melden in een tijd waarin het beeld steeds belangrijker wordt. Mijn antwoord daarop is: zolang ik taal tot mijn beschikking heb, en zolang er nog mensen zijn die daarnaar willen luisteren, is er hoop, ben ik niet weg. Ik besta bij de gratie van taal.

,,Toen in januari mijn tournee was afgelopen, belandde ik in een vacuüm. Dat gebeurt altijd na afloop van een programma, maar meestal krabbel ik weer snel op. Dit keer duurde het langer. Ik vroeg me af wat ik nog te melden had. Moest ik nou voor de zoveelste keer blindengrappen gaan maken? Ik had het idee dat die niet meer voldeden, ik de wereld niet meer aankon met alleen maar grappen. Het leek er op dat ik het gehad had met mijn cabaretje, mijn kruit verschoten had. Het was een tijd van stilstand, zwaarmoedigheid en introspectie. In zo'n periode denk ik mezelf bijna dood. Alle zekerheden zijn weg.

,,De enige zekerheid – en zelfs die was nu aangetast – is dat er een nieuwe voorstelling moet komen, maar hoe, en wat? Het is een kwestie van ondanks alles je geduld bewaren. Bronnen van inspiratie opzoeken: muziek, boeken, vrienden. Het heeft geen zin om bij de pakken neer te blijven zitten. Mensen hebben vaak de neiging gehad en nog om mij zielig te vinden, en van de weeromstuit ben ik geneigd mijzelf niet-zielig te denken.

,,Het is een lange pauze geworden, maar dat wilde ik ook. Soms heb ik te veel haast. Of dat te maken heeft met de achteruitgang van mijn gehoor? Misschien. Ik heb die link nooit gelegd. Maar haast kan slordig maken. Slechte teksten kun je er doorheen spelen op lef, maar dat is niet wat ik wil. Nu ik meer rust heb genomen, is er ook iets betrouwbaarders tot stand gekomen. Overigens mede dankzij Anita Uitde Haag, mijn nieuwe regisseur.

,,Ik heb tijdens mijn puberteit nooit gedacht dat een relatie niet voor mij weggelegd was. Pas later, toen ik ging studeren en een paar blauwtjes liep, dacht ik op momenten van opperste somberheid: waarom zouden ze mij nemen, wat moeten ze met een blinde, er zijn duizenden ziende jongens. Om erachteraan te denken: ik geef ze groot gelijk. Ik zou het ook niet doen als ik hen was. En toen kwam ik Mariska tegen. Ik woonde samen met mijn broer, zij studeerde Engels, had een perfect native accent en mijn broer vroeg haar of ze een boek voor hem wilde inspreken. Zo kwam ze bij ons thuis. Ik hoorde haar stem en was verkocht. Het heeft uiteindelijk toch nog twee jaar geduurd, maar we zijn nu dertien jaar samen. Kinderen willen we niet. Dat heeft niks met mijn blindheid te maken, maar we hebben geen kinderwens. We houden veel van kinderen van vrienden, maar die kun je lenen en terugbrengen als ze gaan huilen, dat is wel zo handig. Bovendien hebben we al twee parkieten. William en Piepie. Piepie is een echte Trouw-parkiet, genuanceerd, levensbeschouwelijk, een samen-op-weg-vogel. William daarentegen is een NRC-parkiet, beetje arrogant, intellectueel. Denk je dat hij met mij op de foto mag?

De Beurs van Bijlo: première woensdag 21 november in de Blauwe Zaal in Utrecht. De romans `Het instituut' en `Achttienhoog' zijn verschenen bij de Arbeiderspers.

Gerectificeerd

Foto Vincent Bijlo

De foto bij het artikel `Ik besta bij de gratie van taal' over cabaretier Vincent Bijlo (in de krant van zaterdag 17 november, pagina 33) is niet gemaakt door Vincent Mentzel, maar door Evelyne Jacq.

    • Colet van der Ven