Iedereen heeft een eigen agenda

Afghanistan is in het post-Talibaan-tijdperk in een verwarrende situatie terechtgekomen. Is er sprake van een machtsvacuüm, of juist van een surplus aan macht?

De Talibaan zijn dood, leve... wie precies? Terwijl de vreugdevuren in Kabul, Mazar-i-Sharif en Jalalabad langzaam doven is in het `vrije' Afghanistan nog geen begin van een oplossing bedacht voor een nieuwe machtsstructuur die moet leiden tot de wederopbouw van het grotendeels kapotgeschoten land. In tegendeel: vanuit allerlei hoeken komen berichten dat tot voor kort slapende groeperingen van voormalige mujahedeen-strijders zich aan de poorten van de bevrijde steden melden om hun `oude rechten' in het verscheurde land op te eisen.

De eerste meldingen van mensenrechtenschendingen zijn nog niet bevestigd, maar zijn wel met een hardnekkige regelmaat naar buiten gekomen: plunderingen, overvallen, standrechtelijke executies van vermeende Talibaan-strijders of aanhangers, de moord op honderden soldaten in Mazar-i-Sharif. Het verleden pleit niet voor de verschillende facties van de alliantie, of ze nu Tadzjieks, Pathaans, Oezbeeks, Turkmeens of Kirgizisch zijn. Veel van de oude mujahedeen-strijders joegen de bevolking in de jaren negentig meer angst aan dan de Talibaan ooit hebben gedaan.

Oorlogen in Afghanistan staan er al eeuwen om bekend dat zij, behalve wreed en bloedig, ook uiterst grillig zijn. Zelfs de groepen die in de westerse media gemakshalve worden aangeduid als de Noordelijke Alliantie, hadden nog maar acht dagen geleden niet de minste aanwijzing dat zij op korte termijn besluiten zouden moeten nemen over de vorming van een Afghaanse overgangsregering in Kabul of het uitschrijven van democratische verkiezingen. Hun leven bestond tot die tijd uit overleven in het woeste landschap van Noordoost-Afghanistan, ver weg van het land dat zij in de tweede helft van de jaren negentig achter zich hadden moeten laten. De alliantie is niet meer dan een los gelegenheidsverbond van etnische en religieuze groeperingen die elkaar jarenlang hebben bestreden, verraden, gewantrouwd en bedrogen in een land waar verraad niet per se als zonde wordt gezien, en waar het recht vaak gebaseerd is op middeleeuwse, tribale tradities.

De vrije val van de Talibaan heeft mede te maken met massale desertie, een Afghaanse traditie. Veel van hun strijders wisselden sinds de val van Mazar-i-Sharif, vorige week vrijdag, eenvoudig van shirt na de wekenlange bombardementen. De meeste steden werden opgegeven zonder dat er op de grond een schot was gelost. Het is de vraag hoe loyaal de deserteurs zullen blijven aan de nieuwe heersers – wie dat ook mogen zijn. Daarnaast zijn er mogelijk duizenden niet-Afghaanse strijders van Talibaan en Al-Qaeda die geen van de Afghaanse talen spreken en voor wie alle vluchtwegen lijken te zijn afgesloten. Zijn moeten doorvechten, met als enige alternatief een standrechtelijke executie.

Ondanks de klemmende oproep van de Verenigde Staten om Kabul niet in te nemen lijken de verschillende stadsdelen van de hoofdstad inmiddels te zijn opgedeeld door de strijdgroepen die tot voor kort nog maar één gemeenschappelijk doel hadden: de vernietiging van de Talibaan. De realisering van dat doel lijkt nabij – en daar begint direct het probleem.

De verdeling van de stad langs etnische lijnen heeft veel weg van de situatie in het begin van de jaren negentig, na het vertrek van de Sovjet-troepen uit Afghanistan en het communistische bewind. Tienduizenden Kabuli's verloren het leven tijdens de burgeroorlog tussen de verschillende mujahedeen-strijdgroepen die een stukje van de macht in de hoofdstad opeisten.

De opmars van de etnische Tadzjieken in de hoofdstad, met aan het hoofd de militaire leider van de Noordelijke Alliantie, generaal Mohammed Fahim, lokte al na twee dagen een tegenbeweging uit. Gisteren trokken honderden zwaar bewapende leden van de Hazara-minderheid vanuit hun oorspronkelijke gebied, Bamiyan in Centraal-Afghanistan, in de richting van Kabul om de rechten van de shi'itische moslims – de sunnitische moslims vormen de meerderheid – te verdedigen. De Hazara's, die een belangrijke bevolkingsgroep in Kabul vormen, zijn de afgelopen jaren op veel plaatsen afgeslacht, eerst door troepen van de inmiddels vermoorde Tadzjiekse krijgsheer generaal Massoud, later door de Talibaan.

Tekenend is ook de situatie in Jalalabad, een belangrijke handelsstad tussen Kabul en de Khyberpas, waar een shura van stamoudsten gisteren had moeten beslissen wie de provincie Nangarhar mag gaan besturen. Ze kwamen er niet uit. Eergisteren trok een groep van honderden gewapende mujahedeen-veteranen van één van de vele Pathaanse stammen over de Khyberpas om hun deel van de buit op te eisen. De stad werd ontdaan van de Talibaan door oud-mujahedeen-leider Yunus Khalis en diens lokale commandant Abdul Qadir, Pathanen die zichzelf niet tot de Noordelijke Alliantie of de Talibaan willen rekenen, maar van wie bekend is dat zij in het recente verleden nauwe banden hebben gehad met de Arabische strijders van Al-Qaeda en Osama bin Laden zelf.

In het zuiden van Afghanistan staat een groep van zo'n duizend strijders onder leiding van Pathaanse stammenleiders klaar om naar Kandahar op te rukken om te voorkomen dat de gehate Noordelijke Alliantie de stad inneemt. Zij hebben zich, net als andere leiders, uitgesproken voor de terugkeer van ex-koning Zahir Shah.

Het gevaar in het mozaïek Afghanistan is altijd geweest dat de etnische groepen uiteindelijk hun eigen agenda volgen. Of een figuur als Zahir Shah, die al tientallen jaren in het buitenland leeft, daarin verandering kan brengen is de vraag. Hetzelfde geldt voor Burhanuddin Rabbani, die officieel nog steeds president is en de Afghaanse zetel in de Verenigde Naties bezet, of voor leidende figuren uit de regio's zoals Mohammed Fahim, de opvolger van generaal Massoud, of de Oezbeek Rashid Dostum, of de Perzisch sprekende oud-gediende Ismail Khan uit de westelijke stad Herat, die gisteren aankondigde naar het Talibaan-bolwerk Kandahar te zullen opstomen – een stap die kwaad bloed zet onder de Pathanen in het zuiden.

Allen hebben zich de afgelopen jaren vooral onderscheiden als vechtersbazen, en geen bekendheid gekregen om hun politieke kwaliteiten. Een belangrijke vraag is verder wat er met de Talibaan zelf gebeurt. De beweging van koranstudenten had niet voor niets tienduizenden zwaar bewapende aanhangers. Hun vertrek uit de machtscentra hoeft niet te betekenen dat de Talibaan-strijders simpelweg zijn teruggekeerd naar hun geboortedorpen.

Naast het probleem van de interne verdeeldheid speelt nog een andere kwestie die de afgelopen jaren een zeer grote rol heeft gespeeld: de buurlanden van Afghanistan. Zoals Pakistan om etnische en religieuze redenen de Pathanen van de Talibaan steunde, zo steunde India om `natuurlijke' redenen hun tegenstanders; steunde Iran de shi'itische strijders, Rusland de etnische groeperingen die banden hebben met de voormalige Sovjet-republieken. Maar het bleef niet bij de directe buren van Afghanistan.

Amerika lonkte jarenlang naar de oliebronnen in Centraal-Azië. Het Afghaanse ruige grondgebied speelt een belangrijke rol bij het vervoer van gas en olie naar de Arabische Zee. Wie in Kabul aan de macht was, maakte Washington in het verleden niet zoveel uit, als het maar geen Russen waren – totdat Osama bin Laden zich in de jaren negentig in Afghanistan vestigde, met in zijn kielzog een leger van strijders uit landen als Soedan, Pakistan, Egypte, Libanon, Syrië, Saoedi-Arabië, Bosnië, de Emiraten, Tsjetsjenië, en zelfs uit het niet-islamitische Noord-Korea.

Of al die buitenlandse invloeden kunnen worden uitgeschakeld, valt te bezien. Analisten zijn het er over eens dat alle groeperingen om de tafel moeten komen voor het etnische spel in Afghanistan opnieuw losbarst. Een werkelijk machtsvacuüm na de Talibaan was waarschijnlijk meer gewenst dan het surplus aan krachten dat Afghanistan nu overheerst.

    • Rob Schoof