Hoe meer achterban, hoe beter

Allochtonen hebben de PvdA en GroenLinks ontdekt. Met een eigen achterban bestormen zij de kieslijst. De partijen zijn er verlegen mee.

Mag een lid van een partij mensen ronselen die misschien niet de beginselen van de partij aanhangen, maar er op een ledenvergadering wel voor zullen zorgen dat hij hoger op de kandidatenlijst komt? Of die ervoor zorgen dat hij zijn zetel in de gemeenteraad niet hoeft op te geven, ook al heeft hij zich losgemaakt van de partij?

Het eerste speelde deze week in Amsterdam Zuidoost. PvdA'er Wesley Amzand had het aantal afdelingsleden in korte tijd van zo'n vierhonderd weten op te krikken tot ruim zeshonderd, met de bedoeling nummer één op de kandidatenlijst te worden.

Het tweede gebeurde vrijwel gelijktijdig, bij GroenLinks in Den Haag, waar het aantal leden de laatste maanden wonderbaarlijk snel steeg: familie, vrienden en kennissen van het omstreden, van de partij afgescheiden gemeenteraadslid Ahmet Daskapan. Ze probeerden met z'n allen te voorkomen dat hij zijn zetel moest teruggeven aan de partij.

Beide ronselpogingen hebben niet het beoogde resultaat gehad. Maar zij laten wel zien dat de partijen die de meeste ruimte hebben gemaakt voor allochtonen, PvdA en GroenLinks, ook dé partijen zijn die te maken krijgen met de botsing van politieke culturen.

Politicoloog Meindert Fennema, die veel onderzoek heeft gedaan naar de politieke integratie van etnische minderheden, noemt GroenLinks ,,enorm open en dus gevoelig'' voor de binnenkomst van groepen die een eigen vertegenwoordiger meebrengen. De affaire-Daskapan ziet hij als een ,,vorm van Turks cliëntelisme''.

Maar mág het op deze manier ronselen van nieuwe leden ook? Nee, zeggen politicologen Jos de Beus en Philip van Praag. De Beus spreekt van ,,instrumenteel gebruik'' van het lidmaatschap. ,,Het gaat om mensen die daarna weer opzeggen.'' Van Praag ziet om die reden dan ook geen verband tussen deze gebeurtenissen en de ronselende activiteiten van bijvoorbeeld Nieuw Links binnen de PvdA, decennia geleden. ,,Met het mobiliseren van slapende leden, zoals toen, is formeel niks mis.''

De Beus en Van Praag bepleiten aanscherping van de regels. Bij de PvdA bijvoorbeeld, is de regel dat nieuwe leden op ledenvergaderingen mee mogen stemmen zodra ze ten minste drie weken vóór die vergadering de contributie hebben betaald. De Beus: ,,Ik vind dat er een langere termijn nodig is voordat leden mee mogen stemmen. Je kunt bijvoorbeeld denken aan een ledenstop vanaf het moment dat er een concept-kandidatenlijst circuleert. Of nóg eerder, een ledenstop zodra de kandidatencommissie zich buigt over de kandidaatstelling.'' Van Praag: ,,Als je bedenkt dat dit soort gevechten meestal losbarst rond de kandidaatstelling, is zoiets als een termijn van drie weken te kort.''

Ruud Koole, PvdA-voorzitter, voelt wel voor scherpere regels: ,,We gaan binnenkort de problematiek van het lidmaatschap bekijken: mag je van verschillende partijen tegelijk lid zijn, kun je tientjeslid worden, dat soort dingen. Dit probleem komt zeker ter sprake.''

Mirjam de Rijk, voorzitter van GroenLinks, voelt er níet voor. GroenLinks heeft geen drie-wekentermijn: wie lid is, betaald heeft en in de administratie is verwerkt, mag stemmen. De landelijke partij reserveert een maand voor het partijcongres, om administratieve complicaties te voorkomen. Ze wil daar geen algemene regel van maken. ,,Ronselen klinkt fout, maar is niet onbekend en ook niet verboden in de politiek.'' Ze stelt wel voorwaarden: nieuwe leden moeten weten dat ze lid worden, er mogen geen gunsten tegenover staan en de werver mag niet doen alsof hij alleen voor hen aan de gang is in de politiek.

Moeilijker dan de vraag naar het ronselen, is de vraag of leden van een partij een eigen achterban mogen hebben. In de jaren vijftig en zestig was dat gewoon, het was de bedóeling dat de verschillende maatschappelijke sectoren in een partij waren vertegenwoordigd: boeren, vakbonden, ambtenaren, het midden- en kleinbedrijf, allemaal hadden ze hun zetel.

Jos de Beus begint het antwoord op de vraag met het maken van een kleine rekensom. Tweeëneenhalf procent van de bevolking is lid van een politieke partij. Van hen is een vijfde actief lid, een half procent van de bevolking dus. ,,Die mensen verdelen de politieke functies onder elkaar. Dat is óók een vorm van cliëntelisme.'' Fennema is het daarmee eens: ,,De actieven zijn in toenemende mate ambtenaren en beleidsadviseurs.''

Dus zijn het nu de allochtone groepen die in politieke partijen zien wat autochtonen er in de jaren vijftig en zestig in zagen: een middel tot emancipatie. En kan het gebeuren dat in een deelraad álle Turkse, Marokkaanse of Surinaamse stemmen naar één kandidaat gaan. De Beus spreekt van ,,het succes van de democratie onder allochtonen''. ,,Al moet je natuurlijk realistisch zijn en constateren dat er ook vreemde snuiters tussen zitten.'' Van Praag: ,,Het hebben van een achterban laat zien dat een partij middenin de maatschappij staat.''

Hij wijst erop dat de Amsterdamse kwestie-Amzand ,,in elk geval geen geval van allochtonen versus autochtonen'' is. ,,Beide kandidaten waren Surinaams.'' In de jaren vijftig zou dat betekenen: een akkerbouwer en een veehouder die allebei de boerenbelangen willen behartigen.

Ook PvdA-voorzitter Koole wijst daarop. ,,In Amsterdam speelde alleen de manier waarop leden werden geworven.'' Verder telt voor elke partij in tijden van ledenverlies de pragmatiek. Koole: ,,Vrouwen, familie, allochtonen, tegen een achterban heb ik geen enkel bezwaar. Hoe meer achterban, hoe beter. De PvdA is een open partij.''

De Rijk is er voorstander van als raadsleden, niet alleen de allochtone, nauwe banden onderhouden met achterbannen, tot op bruiloften en markten aan toe. Maar omgekeerd moet een raadslid er niet alleen voor de achterban, maar voor de hele bevolking zijn. ,,Daar letten wij op bij de selectie.''

    • Gretha Pama
    • René Moerland