Euthanasie hoeft geen zaak van artsen te blijven

Wanneer arts en patiënt in conflict raken en blijven over de wenselijkheid van euthanasie is het niet ondenkbaar dat de laatste zelf op zoek gaat naar dodelijke middelen, meent B.E. Chabot.

In NRC Handelsblad van 10 november kwam een aantal huisartsen aan het woord die als SCEN-arts regelmatig met euthanasieverzoeken te maken hebben. Zij stelden dat de situatie van de patiënt nog niet uitzichtloos is zolang niet alle palliatieve mogelijkheden een kans hebben gekregen. De patiënt overlijdt dan vaak voordat de uitvoering van het euthanasieverzoek aan de orde kan komen.

Deze gang van zaken is bekend. Uit onderzoek van de Vrije Universiteit bleek dat in 1995 artsen 9.700 keer een uitdrukkelijk verzoek ontvingen om euthanasie of hulp bij zelfdoding op afzienbare termijn.

Eén op de drie patiënten overleed voordat een definitieve beslissing was genomen. Bij één op de drie werd het verzoek ingewilligd en 2.500 personen zagen hun verzoek afgewezen. Slechts 700 personen (6 procent) trokken het verzoek in, aldus I. Haverkate in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 13 januari 2001.

Vandaag de dag leert iedere burger dat hij het privé-leven naar eigen inzicht mag inrichten. Bij alle intieme beslissingen waar ook een dokter aan te pas moet komen, zoals kunstmatige bevruchting, abortus of bij het verfraaien van het lijfelijk omhulsel, wordt keer op keer bevestigd dat hij baas is in eigen huis. De arts voegt zich naar al deze wensen zolang anderen geen schade wordt toegebracht.

Sterven wordt beschouwd als het meest intieme moment in een mensenleven. Maar hier wordt de burger geconfronteerd met een uitzondering op alles wat hij zich eerder heeft eigen gemaakt. Over het moment van sterven blijkt hij weinig te zeggen te hebben. Deze uitzondering valt in abstracto goed te begrijpen.

Het is immers voor ieders veiligheid van belang dat de arts erop toeziet dat het resterende leven beschermd wordt. Maar zodra het de eigen naderende dood betreft, veranderen emotionele prioriteiten. Dan komt niet zelden de wens boven het sterven te mogen sturen, ook als de arts daaraan niet wil meewerken.

De besluitvorming bij euthanasie en hulp bij zelfdoding lijkt voor de patiënt met een uitdrukkelijk verzoek om euthanasie op een examensituatie. Grofweg in één op de drie gevallen slaagt hij en in één op de drie gevallen zakt hij. In de overige gevallen lukt het niet het examen ten einde te brengen omdat men overlijdt.

Uit onderzoek door G. van der Wal (1996) is gebleken dat men de meeste kans heeft te slagen als men kanker heeft. De artsen van de `peergroup palliatieve zorg' kunnen de lat hoger leggen door eerst alle palliatieve mogelijkheden te willen proberen.

Slagen voor het euthanasie-examen vergt een langdurig proces van onderhandelen op de juiste wijze. Wie zich te eisend opstelt, loopt het risico dat het verzoek niet als `weloverwogen' wordt beoordeeld, aldus de bevindingen van R. Pool (1996) en A. Thé (1997). Bijstand bij zelfdoding door een arts blijkt een gunst te zijn, die in ongeveer één op de drie gevallen met tact en vasthoudendheid verworven kan worden. Maar het blijft een gunst. En naarmate men, zoals Brongersma, verder van de dood verwijderd is, minder `terminaal', neemt het gunst-gehalte toe.

Sociologisch is het weinig interessant of de aantallen die Haverkate vond een teken aan de wand zijn, of reden tot hoop voor patiënten met een euthanasieverzoek.

Interessanter is dat de zo zorgvuldig totstandgekomen euthanasiewetgeving een ingebouwd rolconflict bevat tussen burger en arts. Artsen zijn bij wet verantwoordelijk gesteld voor een zorgvuldige gang van zaken rond het zelfgekozen levenseinde. Daarmee is hun de regie in handen gegeven. Het lijkt mij niet waarschijnlijk dat de grijze golf baby-boomers, die cultureel gevormd is in de jaren zestig, zich daarbij neer zal leggen. Zij wensen ook de regie over het laatste stukje privé-domein waarover burgers nu nog minimaal zeggenschap hebben.

Naarmate dit conflict oploopt, zullen sommige ouderen op zoek gaan naar dodelijke middelen die zij zonder tussenkomst van de behandelend arts kunnen verkrijgen. Daarmee zou een proces op gang kunnen komen van ontmedicalisering van het zelfgekozen levenseinde.

Aanwijzingen hiervoor vond ik bij onderzoek naar zelfdodingen die `in eigen kring' hadden plaatsgevonden. Deze zelfdodingen van ernstig zieken en van ouderen vonden plaats na langdurig overleg met intimi, die soms ook bij de zelfdoding aanwezig waren. Hoe dit precies in zijn werk ging, heb ik beschreven in mijn boek Sterfwerk. Hoewel het lastig te realiseren bleek is zelfdoding mogelijk, omringd door dierbaren, zonder doktershulp.

Er is nog een andere aanzet zichtbaar om artsen te ontlasten door hen de regie over het sterven uit handen te nemen bij ouderen als Brongersma. De Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie (NVVE) onderzoekt de mogelijkheden voor ontmedicalisering van het zelfgekozen levenseinde van ouderen die niet `ziek' zijn.

H. Drion betoogde op 6 november j.l. opnieuw in deze krant dat de regie behoort te liggen in handen van de oudere met een duurzame en uitdrukkelijke doodswens. Zijns inziens komt de overheid niet het recht toe de dodelijke middelen die daarvoor nodig zijn aan ouderen te onthouden.

Deze ontwikkelingen in de richting van een beperkte ontmedicalisering raken direct aan het monopolie van artsen over de medicijnkast. In mijn onderzoek bleek dat sommige artsen bij ouderen er niet zwaar aan tillen om die sleutel even uit handen te geven door enkele recepten uit te schrijven voor mogelijk gebruik op een later tijdstip. Met name bij ouderen hebben sommige artsen er minder moeite mee de regie vrijwillig over te dragen.

B.E. Chabot werkt als ouderenpsychiater.

    • B.E. Chabot