Voorbij het straatrumoer

De hedendaagse schrijver die zich met de publieke zaak inlaat is zich maar al te bewust van zijn eigen kleinheid. Maar het verlangen om de wereld te begrijpen is daardoor niet minder groot geworden. Aan schrijvers de taak om de verloren band tussen ons bewustzijn en de buitenwereld te herstellen.

De beelden zijn inmiddels dertig jaar oud, maar nog altijd niet uit ons geheugen gewist. Het eerste is een foto van Jean-Paul Sartre, staande op een olievat, een microfoon in zijn hand geklemd, terwijl hij een grote groep arbeiders van de Renault-fabriek in het Franse Billancourt toespreekt. Het tweede is een foto waarop de kleine schrijver-filosoof in Parijs op straat exemplaren van het bedreigde, ultralinkse krantje La Cause du Peuple uitvent, samen met zijn levensgezellin Simone de Beauvoir. Toen de foto's genomen werden, allebei in 1970, was Sartre inmiddels door alle ideologische wateren van de twintigste eeuw gewassen. Zijn engagement met abstracte systemen als het communisme was toen al verschrompeld tot een reeks losstaande blijken van betrokkenheid. Sartre verklaarde zich solidair met stakende fabrieksarbeiders, Vietnamese bootvluchtelingen, en juridisch gefnuikte terroristen.

Dertig jaar later hebben die twee beelden hun eigen, losgezongen betekenis gekregen: ze verbeelden het engagement van de twintigste-eeuwse schrijver pur sang. Behalve symbolisch zijn ze ook nostalgisch geworden. Wat ze laten zien is een schrijver die zich manmoedig met de wereld bemoeit, die niet achter zijn schrijftafel kon blijven zitten. Eigenlijk is het grappig dat juist deze foto's zo bekend zijn geworden, want zodra je er met een nuchtere blik naar kijkt, krijgen ze ogenblikkelijk iets pathetisch. Dan zijn ze niet langer exemplarisch voor het engagement van de twintigste-eeuwse schrijver; ze laten eerder de teloorgang ervan zien. Niet alleen Sartre verkeert op die plaatjes in zijn nadagen, het twintigste-eeuwse schrijversengagement eveneens. De Sartre die we op een olievat zien spreken, die we op de Parijse boulevards samen met Beauvoir zijn revolutionaire krantje slijt, is een ontnuchterde Sartre, een kleinere Sartre ook. Je ziet een man die hardhandig geconfronteerd is met de rampzalige gevolgen van het ideologisch denken, wiens geest noodgedwongen aan schaalverkleining heeft moeten doen. Het activisme van zijn nadagen is incidenteel en mist samenhang; zijn motieven zijn eerder humanitair dan ideologisch. Niet langer zette hij zich in voor abstracte noties, maar voor de slachtoffers van die ideeën. Het politieke engagement was zuiver humanistisch geworden.

Zo gezien vormen die twee foto's van een oude, protesterende Sartre de opmaat van het schrijversengagement zoals wij dat tegenwoordig kennen. Verdwenen zijn de grote woorden, weg de overkoepelende, dwingende ideeën. De hedendaagse schrijver die zich met de publieke zaak inlaat is een schrijver die zich maar al te bewust is van zijn eigen kleinheid. Hij piekert er niet over zich over de wereldpolitiek te ontfermen, laat staan dat hij gedachten formuleert over de mensheid in het algemeen. Liever zet hij zich in voor kwesties die anders volledig aan het oog van de wereld onttrokken zouden blijven. Hij stelt met liefde een felle petitie op ter bescherming van een paar door nieuwbouw aangevreten weilanden, hij pleit voor scharrelruimte voor varkens of hij protesteert tegen een gevaarlijke oversteekplaats.

Natuurlijk zet de hedendaagse Nederlandse schrijver zich ook graag in voor grotere zaken. Hij draagt ook met alle liefde een woordje bij in de strijd tegen het racisme op de wereld, en ook het milieu draagt hij een warm hart toe. Maar het allerliefste nog laat hij zich zien op festivals waarop het vertellen van verhalen zelf als een weldaad voor de mensheid wordt gevierd. Te midden van collega's uit Oezbekistan, Nigeria en Zuid-Afrika trilt zijn stem van emotie terwijl hij zijn eigen woorden voorleest. Culturele verscheidenheid wordt op zichzelf al als een goede zaak gezien, veelstemmigheid als een effectief weermiddel tegen monomaan fundamentalisme. Wie kleurrijk is kan nooit fout zijn. De hedendaagse schrijver voelt zich door al die vertelfestivals en voorleesmarathons gelegitimeerd; ze vertellen hem dat hij niet helemaal los van de wereld staat, ook al is zijn werk niet pamflettistisch of zelfs maar maatschappelijk betrokken.

Is dat genoeg? Meestal wel. Het bescheiden activisme van de hedendaagse Nederlandse schrijver weerspiegelt de positie die hij in de samenleving inneemt – die is namelijk marginaal. Want hoewel de noodzaak van de literaire verbeelding in de mond van culturele beleidsmakers inmiddels tot een gemeenplaats is geworden, spelen schrijvers nog maar een uiterst beperkte rol in het publieke debat. Je kunt eigenlijk wel stellen dat de schrijver-intellectueel in Nederland geen enkele noemenswaardige maatschappelijke positie meer inneemt, ook al leest hij voor tot hij schor is. In een samenleving als de onze, waar in de afgelopen dertig jaar radicaal is afgerekend met iedere vorm van moralistische betutteling, is geen plaats meer voor iemand die het morele geweten wil uithangen. Men gelooft misschien nog wel in literatuur, maar in ieder geval niet meer in schrijvers.

Zo gek is dat niet: de politiek is allang ideologisch ontkerstend, politici zelf zijn vooral pragmatisch geworden. De tijdgeest regeert – en de tijdgeest kent alleen nog behoefte aan engagement als een vorm van nostalgie. Er is bij de politiek allang geen sprake meer van ontzag of zelfs maar respect voor kunst, of voor schrijvers in het bijzonder. Wanneer Nederlandse politici tegenwoordig het woord kunst in de mond nemen, volgt er meestal iets meewarigs of bevoogdends: de kunst zou best eens wat meer zus of zo mogen doen. Staatssecretaris Van der Ploeg eist meer maatschappelijke betrokkenheid van de kunst, maar dan wel volgens het emancipatoire stramien van zijn eigen sociale kunstbeleid, dat gericht is op bereik van allochtonen en jongeren. In zo'n visie zijn schrijvers een soort opbouwwerkers.

Aan de andere kant zijn er in Nederland maar bar weinig schrijvers die zich nog iets aan het maatschappelijke gelegen laten liggen. Sociaal bevlogen kunst, leert de geschiedenis, weet inmiddels iedereen, is bijna altijd slechte kunst. Sommige schrijvers zien de literatuur als iets dat ernstig bedreigd wordt door de buitenwereld – door de media allereerst, die een ongezonde aandacht aan de dag leggen voor de persoonlijke achtergrond van de schrijver, en ten tweede door de lezers die steeds meer om persoonlijke literatuur vragen en vooral therapeutisch lezen, dat wil zeggen, ze zoeken vooral instant-troost en bevestiging. Want het staat vast dat naarmate de wereld om ons heen onpersoonlijker wordt, er in de kunst zelf steeds meer gezocht wordt naar het persoonlijke. En dan is er natuurlijk nog de opwindende vloedgolf van de beeldcultuur, die zich in de moderne massacultuur als een vis in het water voelt, anders dan het gedrukte woord, dat persoonlijke aandacht behoeft om aanwezig te zijn.

De literatuur, benadrukken de bepleiters van wat de Italiaanse schrijver Robert Calasso `absolute literatuur' noemt, overstijgt juist het hier en nu en begeeft zich op het gebied van het onnoembare – dat is haar grote kracht. Ze is bovendien autonoom, een wereld op zichzelf. De schutspatronen van de modernistische literatuur, Kafka, Nabokov, Borges, Beckett, keerden zich tegen de zelfgenoegzame notie van een maakbare en vooral ook hanteerbare wereld. Hun geschriften zijn door-en-door anti-realistisch en alleen daardoor al subversief; alle wereldse conventies, op het gebied van de geaccepteerde moraal, de manier waarop we de werkelijkheid om ons heen ondergaan, en hoe we onze taal gebruiken, werden door het twintigste-eeuwse modernisme op zijn kop gezet en bespot. Als deze literatuur ons iets heeft laten voelen, is het hoe fragiel en kunstmatig ons beeld van de wereld is, hoe benauwend beperkt ook.

Dat is een van de meest eigenaardige paradoxen van de vorige eeuw: juist in een tijd dat schrijvers en intellectuelen zich hartstochtelijk met de wereld bemoeiden, trok de literatuur zelf zich steeds verder terug uit de wereld. Daar drong het ongrijpbare labyrint van het menselijke bewustzijn zich naar de voorgrond. Het negentiende-eeuwse realisme schoot hopeloos tekort als literaire methode om al die versnipperde bewustzijnstoestanden te beschrijven.

Een verklaring voor die ogenschijnlijke tegenstelling tussen intellectuele bemoeienis met de wereld en het autisme van de modernistische literatuur is wellicht dat het engagement van de meeste twintigste-eeuwse schrijvers, of ze nu ultralinks of ultrarechts waren, net zo goed tot doel had de wereldse werkelijkheid radicaal te transformeren, met alle desastreuze gevolgen van dien. De verbeelding moest werkelijk aan de macht komen. De metafysische en Messiaanse trekjes in zowel het communisme als het nazisme zijn vaak genoeg benadrukt; de hemel op aarde, zoals die door deze ideologieën werd voorgesteld, was even onwerkelijk als het Nieuwe Jeruzalem.

Het belangrijkste gevolg van het modernisme was dat de literatuur zijn sociale betekenis verloor. Of liever gezegd, de grote negentiende-eeuwse roman met zijn ambitie om mensen in hun sociale omgeving neer te zetten en zowel sociale als psychologische spanningen te dramatiseren zonk in de twintigste eeuw weg in het moeras van de populaire cultuur. Tot op heden leidt het genre een opwindend bestaan als vuistdikke bestseller in de kiosken op vliegvelden en als miniserie op de televisie.

Het is precies die nostalgische erfenis van het realisme die tot zoveel huiver en verzet bij serieuze schrijvers leidt. Het grootste schrikbeeld voor hen is het al te persoonlijke realistische genre, waarin de ervaringen van de schrijver aan de lezer ten voorbeeld wordt gesteld; het persoonlijke wordt in dit genre tot enige maatstaf. Er wordt veel beleefd, maar niets doorgrond. De directe ervaring, het zuivere gevoel, is de toetssteen van alles. Het persoonlijke is niet politiek, zoals feministes in de jaren zeventig beweerden. Het persoonlijke is alles geworden.

De adepten van de `absolute' literatuur verafschuwen deze vorm van hapklare gevoelsbrokken. Maar hoe wanstaltig sentimenteel en egomaan zulke boeken vaak ook zijn, ze vertegenwoordigen wel een reëel verlangen dat zich niet gemakkelijk laat negeren of kleineren: het verlangen naar reële betekenis, door middel van de literatuur. Dat dit verlangen zich weliswaar meestal uit op een sentimentele of nostalgische manier wil nog niet zeggen dat het niet oprecht kan zijn.

Moeten schrijvers zich beperken tot de strijd tot het behoud van het Hollandse landschap en multiculturele vertelfestivals? Een schrijver moet schrijven, zou ik zelf een aantal jaren geleden beweerd hebben, zijn eerste loyaliteit is zijn eigen kunst. Wat kunst is, of kan zijn, leidt in de samenleving al tot genoeg misverstanden; het is voor een schrijver al eervol genoeg wanneer hij naar buiten toe de kunst zelf weet te verdedigen, wanneer hij voelbaar weet te maken dat de diepste gevoelens en de heftigste waarheden over onszelf en onze wereld alleen via een kunstwerk tot uiting kunnen worden gebracht. Niemand heeft er iets aan wanneer romanciers en dichters zich als verslaggevers gaan gedragen – alsof we nog niet genoeg nieuws hebben. Net zo heeft niemand er iets aan wanneer de journalistiek zich op het gebied van de fictie zou begeven. Alsof we nog niet genoeg romans hebben.

De schrijver die zich tegenwoordig actief met de grote wereld gaat bemoeien schrijft dus al snel tegen de bierkaai. Natuurlijk, hij kan zich betrokken tonen op een actieve manier, hij kan aandacht vragen voor vervolgde collega-schrijvers in landen en culturen waar ieder woord door de machthebbers op een goudschaaltje wordt gewogen. Hij kan dekens inpakken en handtekeningen ophalen en petities aanbieden. En dat moet hij ook doen, maar dat is niet zijn plicht als kunstenaar, het is zijn burgerplicht.

Dat vond ik toen allemaal, en ik vind het nog steeds – en toch bevredigt het antwoord me niet helemaal meer. Moet een schrijver de wereld dan maar aan zijn lot overlaten? Natuurlijk is dat een valse voorstelling van zaken, want een schrijver staat niet los van de wereld; zijn werk komt immers voort uit zijn ervaringen en wanneer het goed werk is, zal het ook de levens van lezers beïnvloeden. Waar ik op doel is iets anders.

Kun je zeggen dat de literatuur zich de afgelopen eeuw heeft teruggetrokken uit de wereld, dan mag je nu ook vaststellen dat de wereld de literatuur node mist. Op het eerste gezicht lijkt dat meer een wensgedachte dan de realiteit. Wie de televisie of zijn thuiscomputer aanzet krijgt de hele wereld in huis, een stortvloed aan beelden en, niet te vergeten, stemmen en ook woorden; talloze getuigenissen en ervaringen en schokkende gebeurtenissen, meestal tientallen keren herhaald. Het gaat om extreme beelden en schokkende verhalen, waarbij vergeleken de inhoud van de heftigste literatuur verbleekt – en toch laten ze meestal schrikbarend weinig indruk achter in ons bewustzijn. Het gaat immers niet om reële ervaringen. Het indrukwekkendste voorbeeld van de laatste tijd is natuurlijk de aanslag op het World Trade Center. De beelden daarvan zijn verpletterend in alle betekenissen van dat woord; maar ze zijn zo vaak herhaald dat ze nu al een beetje minder verpletterend zijn, ze zijn tot het meubilair van onze geest gaan behoren. We zitten nachtenlang als gebiologeerd naar CNN te kijken, maar wat ervaren we nu echt? De direct na de aanslagen overal gehoorde uitroep dat het net een film was geeft het al aan. Het was namelijk ook een film. Naarmate we getuige zijn van steeds meer van wat er in de wereld gebeurt, dringt er almaar minder werkelijk tot ons door. Wij zijn voyeurs die zich verlustigen aan de werkelijkheid.

Ook alles wat geschreven is kan nooit echt worden. Wat schrijvers echter wel kunnen doen is de wereld haar diepte teruggeven. Na het wegvallen van de twintigste-eeuwse ideologieën en de opkomst van de massamedia is het voor een westerse mens onmogelijk geworden er zoiets als één enkel wereldbeeld op na te houden. Net als Sartre in zijn nadagen zijn we onze greep op de wereld kwijt. Er is geen vanzelfsprekend bindmiddel meer tussen een mens en zijn omgeving en het gevaar bestaat dat de buitenwereld als een lange stroom beelden zonder veel betekenis aan ons voorbij trekt. Wat mensen aan elkaar bindt zijn vrijwel alleen nog hun ervaringen – en daarmee zijn we in het domein van de schrijver beland. Ik zou willen stellen dat het een taak voor een schrijver zou kunnen zijn die verloren band tussen ons bewustzijn en de buitenwereld te herstellen, door te laten zien hoe die stoet van feiten en beelden die we dag en nacht op onze beeldschermen tot ons nemen, doorwerkt in ons bewustzijn, wat voor mensen die van ons maakt. Want de hedendaagse schrijver kan dan misschien de gehele wereld niet meer overzien, hij kan wel beschrijven wat die wereld met hem doet. Wat ik van hem verlang is dat hij nadenkt over de wereld op een manier die zijn lezers op hun beurt doet nadenken over zichzelf, maar ook over hun plek in de wereld.

Dat vereist een moreel besef; wat natuurlijk niet wil zeggen dat de hedendaagse schrijver moralistisch in enge zin zou moeten zijn, integendeel, alleen dat hij een scherp oog heeft voor de morele dilemma's waarvoor mensen zich gesteld zien, dat hij zijn lezer kan laten zien dat er achter iedere werkelijkheid nog weer een andere werkelijkheid ligt. Om terug te keren naar een eerder voorbeeld: achter de terroristische aanslagen in Amerika gaat een heel moreel universum schuil, vol menselijke emoties en tegenstrijdigheden, persoonlijke twijfel en tragiek, die nooit door de massamedia in beeld gebracht kunnen worden.

Nog een voorbeeld: de jonge Duitse romancier Michael Kumpfmüller schreef vorig jaar een opvallende debuutroman, getiteld Hampels Fluchten (in het Nederlands: Lotgevallen van een beddenverkoper), die door de literaire kritiek werd binnengehaald als de langverwachte grote roman over de twee Duitslanden van na de Tweede Wereldoorlog. De handeling van het verhaal voltrekt zich specifiek op die plaatsen en bestrijkt juist die periode – en dat is niet voor niets. Het boek is echter geenszins een journalistieke documentaire, het is allesbehalve instant-geschiedenis. Het grappige is juist dat de hoofdpersoon geen benul heeft van de actualiteit noch van de geschiedenis van zijn land. Hij is in alle opzichten een onbenul. De roman als geheel geeft de lezer echter wel degelijk een beeld van de wereld waarin deze Hampel naar zijn roemloze einde sukkelt. Dat is het soort geëngageerd schrijverschap waarover ik het hier heb; de genadeloze roman Disgrace van J.M. Coetzee is een ander voorbeeld. Ik zou willen dat een schrijver naar de wereld kijkt – met de ogen van een romancier.

Dit is geen pleidooi voor straatrumoer. Een mens hoort de hele dag niets anders dan straatrumoer, dat is juist zijn probleem. En de werkelijkheid hoeft niet beschreven te worden opdat de lezers er iets van opsteken, zoals in de negentiende eeuw nog wel het geval was. Wij weten maar al te goed hoe de wereld eruit ziet. Ik heb het hier over een maatschappelijke taak voor de schrijver. En die luidt aldus: beschrijf niet hoe de wereld eruit ziet of hoe hij zou moeten zijn. Beschrijf hoe hij wordt ondergaan.

Misschien klinkt dit als een weinig opwindende vorm van kunstenaarsengagement; het levert in ieder geval geen heroïsche plaatjes op, zoals die van Jean-Paul Sartre op zijn olievat. Ik misgun geen enkele schrijver zijn vijftien minuten media-aandacht in dienst van een goed doel. Ik denk alleen dat zijn invloed uiteindelijk vele malen groter zal zijn wanneer hij zijn verbeelding loslaat op zijn eigen tijd.

De romantische Engelse dichter Percy Bysshe Shelley noemde in een beroemd citaat dichters de `niet-erkende wetgevers van het universum'. In de afgelopen eeuw hebben we kunnen zien wat er gebeurde toen schrijvers niet langer genoegen namen met die heimelijke status en door de wereld erkend wilden worden, in de volle schijnwerpers van het politieke bedrijf. Inmiddels zijn we verstandig en ervaren genoeg om te weten dat er via een stille literaire diplomatie oneindig veel meer te bereiken valt. Ik ben er dan ook van overtuigd dat van een dergelijk engagement meer overblijft dan een paar nostalgische nieuwsfoto's en een flauwe herinnering aan activisme.

Zulke schrijvers geven ons de wereld terug.

Dit is de bekorte tekst van een lezing, georganiseerd door het PEN Emergency Fund, gisteren uitgesproken in De Balie te Amsterdam, ter gelegenheid van de uitreiking van de Novib/Pen Awards aan schrijvers die in hun eigen land bedreigd of vervolgd worden.

    • Bas Heijne