Snakken naar daden

In een serie besprekingen van heruitgegeven klassieken deze week `De volmaakte ridder Tirant lo Blanc' van Joanot Martorell (uit het Catalaans vertaald door Bob de Nijs, Athenaeum – Polak & Van Gennep, 1039 blz., ƒ126,71)

Umberto Eco heeft ooit een reeks parodistische leesrapporten geschreven, waarin hij uitgevers dringend de publicatie afried van meesterwerken als Prousts Recherche (te lange zinnen), Kafka's Proces (geen persoonsnamen) en Joyce's Finnegans Wake (onbegrijpelijk voor een Engelse proeflezer). Cervantes' Don Quichot, beoordeeld voor een uitgeverij die ridderromans op de markt bracht, werd afgewezen omdat zo'n fonds het na een satire die dat hele genre met één klap onmogelijk maakte, wel zou kunnen schudden.

De uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep bewandelt de omgekeerde weg. Ze begon haar statige, goudgebande reeks klassieken ruim vier jaar geleden met een nieuwe vertaling van de Quichot, om die te laten volgen door Ariosto's Orlando furioso, Dante's Divina Commedia en nu door Joanot Martorells Tirant lo Blanc, precies het soort ridderepen waar Cervantes de draak mee stak.

Twee maal laat hij de Ridder van het Trieste Gelaat deze mytische figuur aanroepen als een van zijn meest eminente voorbeelden. En in het begin van het boek blijkt Tirant lo Blanc inderdaad tot zijn bezit te behoren. De pastoor, die de bibliotheek van Don Quichot doorvlooit om te zien wat daarvan aan het vuur moet worden prijsgegeven, aarzelt. `Ik heb er een schat aan genoegen en een mijn aan vermaak in aangetroffen.' Maar ook al is het, wat stijl betreft, `het beste boek van de wereld', de schrijver had wat hem aanging levenslang naar de galeien mogen worden gezonden.

Wat Cervantes echt van Tirant lo Blanc dacht, blijft in het vage, want de mening van de pastoor is niet per se de zijne. `Het beste boek ter wereld' als aanbeveling op de kaft te zetten, ondertekend `Cervantes', zoals bij de vorige Nederlandse uitgave van het boek het geval was, is in ieder geval rijkelijk stoutmoedig.

De nu verschenen prachteditie onthoudt zich van dat soort kunstgrepen en dat is niet het enige verschil met de uit 1987 stammende uitgave van Bert Bakker. Ook één van twee auteursnamen die oorspronkelijk werden vermeld is van de kaft verdwenen. Martí Joan de Galba, die het boek in 1490, lang na Martorells dood, liet drukken, zou ook diens onvoltooid gebleven relaas hebben afgeschreven en fungeerde daarom als co-auteur. Nieuw bronnenonderzoek heeft in de jaren negentig echter aangetoond dat het hele manuscript wel degelijk van Martorell afkomstig was.

En daarmee bleef hij over als enige auteur van een boek dat bij het schrijven, rond 1460, al enigszins altmodisch moet zijn geweest. Ridders zonder vrees of blaam stonden in de zich centraliserende staten en de verburgerlijkende samenleving van die tijd al lang niet meer in het hart van de macht of de aandacht. Martorell, die in het eveneens geheel hernieuwde nawoord van vertaler Bob de Nijs enigszins als een ruziezoekerige en heethoofdige Don Quichot naar voren komt, moet dan ook zelf door de nodige nostalgie gedreven zijn geweest. Hij liet zijn volmaakte ridder Tirant lo Blanc naar klassiek recept ten strijde trekken tegen het gevaar van het slagveld, dat in die tijd vooral van de Turken kwam (Constantinopel was in kort daarvoor, in 1453, ingenomen), en hij liet hem worstelen met de valkuilen van de hoofse liefde, die een geheel ander soort krijgskunde eisten.

Tirant lo Blanc is dan ook een hybridisch product geworden, verscheurd tussen de codes van een voorgoed verdwenen feodaliteit en de prozaïscher werkelijkheid van een wereld die aarzelend modern begint te worden. Martorell begint zijn relaas met een bijna sprookjesachtige proloog in het Engeland van Willem van Warwick, waarin de Arthurlegenden nog levend lijken te zijn en de maatstaven gesteld worden voor een inmiddels even sprookjesachtig geworden ridderideaal. Maar ook dan breekt een bijna hedendaags realisme af en toe al door de archaïserende schijn heen en komen we echtelijke (twist-)gesprekken tegen, die in een hedendaagse roman niet zouden misstaan. De Peruaanse schrijver Mario Vargas Llosa heeft dan ook opgemerkt dat niet in de Quichot, maar in Tirant lo Blanc de eerste aanzetten te vinden zijn van de moderne literatuur op het Iberisch schiereiland.

Die zwalking tussen (verlangd) oud en (onwillekeurig) nieuw wordt alleen maar sterker wanneer de held Tirant zelf op het toneel verschijnt en zijn wederwaardigheden op Sicilië, Rhodos, in het bedreigde Griekse keizerrijk en Noord-Afrika worden verteld. Ze bereiken een hoogtepunt in de onverbloemde erotiek van de Tirants galante avonturen aan het Griekse hof, waarin gelieven elkaar enerzijds toespreken in eindeloze monologen vol allegorieën en historische en literaire verwijzingen, en anderszijds een dartelheid aan de dag leggen die nog het meest doet denken aan het gestoei in de lichtere opera's van Mozart, vier eeuwen later.

Het genot van het lezen van Tirant lo Blanc gaat vandaag de dag mèt deze zwalking op en neer. Onweerstaanbaar is de charme van de frivole hofdame Schatvanmijnhart, wier naam alleen al klinkt als een belofte, of de plagerige terughoudendheid waarmee de Griekse prinses Carmesina de liefde van Tirant op de proef stelt en zijn lust met een steels toegestane streling kietelt. Maar vaak genoeg worden de eindeloze uitweidingen over maagdeneer en riddertrots een beproeving die doet snakken naar het moment waarop de gelieven eindelijk eens tot de daad overgaan.

Voor het zover is, moet de lezer zich nog door menige hoofse conversatie en – in de toernooi- of slagveldscènes – hele reeksen gekliefde hoofden, versplinterde lansen en doorboorde ledematen heenslaan. Met zijn duizend bladzijden wordt Tirant lo Blanc dan wel een heel dik boek.

    • Ger Groot