`Schaatser Sjepel heeft voorlopig wel de schijn tegen'

De Rus Dimitri Sjepel kreeg vorige week in Berlijn een startverbod wegens te hoge bloedwaarden. Harm Kuipers, lid van de medische commissie van de ISU, verbaast zich erover.

Afgelopen weekeinde werd bij de Russische schaatser Sjepel tweemaal te hoge hemoglobine- en hematocrietwaarden in zijn bloed gevonden. Om gezondheidsredenen werd de Europese kampioen een startverbod opgelegd. Volgens bewegingswetenschapper Harm Kuipers is het te voorbarig Sjepel af te schilderen als dopingzondaar. Toch constateert Kuipers, lid van de medische commissie van de internationale schaatsunie (ISU), dat de regerend Europees kampioen ,,voorlopig wel de schijn tegen heeft''.

Een hoog hemoglobinegehalte kan duiden op het gebruik van het verboden bloeddopingmiddel EPO. Als de urinetest, die tegelijk werd uitgevoerd maar waarvan de uitslag nog op zich laat wachten, ook positief uitvalt, kan Sjepel voor twee jaar worden geschorst.

Bij Sjepel werd volgens zijn coach Moeratov een hemoglobinegehalte van 19 geconstateerd en een hematocrietwaarde van 53.6. ,,Dat is heel hoog'', aldus Kuipers. ,,Dat zie je vrijwel nooit.'' De grens is bij mannen respectievelijk bepaald op 18 (gram per deciliter bloed) en 54. Moeratov legde de oorzaak van de hoge waarden bij de hoogtestages die Sjepel de afgelopen maanden heeft afgewerkt. Kuipers: ,,Een dermate hoge hemoglobinegehalte als gevolg van een hoogtestage is uitzonderlijk.''

Ook een andere uitspraak van Moeratov trekt Kuipers in twijfel. Sjepel zou bij een onderzoek door de eigen teamarts op zondag, een dag na de tweede test, al weer normale waarden hebben vertoond. Kuipers, hoogleraar bewegingswetenschappen in Maastricht: ,,Het is vrijwel onmogelijk dat het hemaglobinegehalte de ene dag 19 is en de andere dag 15. Althans, dat kan niet zonder iets kunstmatigs te doen. Maar dat eigen onderzoek zal zijn uitgevoerd met een handmetertje. Ik beschik ook over zo'n ding. Een dergelijk spectrummetertje kan een grote mate van onnauwkeurigheid vertonen.''

Kuipers, wereldkampioen allround in 1975, sluit niet uit dat Sjepel tot de zeer kleine groep mensen behoort die zelf erythropoïetine (EPO) in het lichaam aanmaakt. De kans daarop is volgens Kuipers weliswaar minder dan één procent. ,,Maar het is mogelijk. Er bestaat zelfs een ziekte waarbij mensen te veel EPO aanmaken. Daarom moeten we niet stigmatiseren. Sjepel doet er goed aan naar een hematologische kliniek te gaan om zich te laten testen. In een korte tijd kan een dokter dan een dossier voor hem aanleggen.''

In Berlijn werd geen toelichting gegeven over de testen bij Sjepel. Kuipers: ,,Zolang niet is bewezen dat iemand heeft gemanipuleerd moet je zijn privacy beschermen. Al vind ik wel dat de ISU in deze zaak iets meer informatie had kunnen verschaffen. Je moet zorgvuldigheid én openheid betrachten.''

Topsportcoördinator van de KNSB, Ab Krook, vindt dat de ISU een officieel communiqué had moeten uitgeven. Hij stuurde deze week een brief naar de coachcommissie van de ISU waarin hij aandrong op meer duidelijkheid in dergelijke gevallen, zoals bij een startverbod de reden van de uitsluiting. ,,Geheimzinnigheid brengt schade toe aan de rijder en de schaatssport. Er gaan immers geruchten de ronde doen.'' Krook stelde ook de procedure van de controle aan de kaak. ,,Er wordt bloed afgenomen, de buisjes krijgen een sticker en het gaat in een grote doos. In de wielersport wordt de tweede bloedafname in een kist verzegeld zodat er altijd een betrouwbare second opinion kan plaatsvinden.''

Kuipers: ,,De brief zal aanleiding geven tot meer discussie binnen de ISU. Er is na Berlijn al gesproken hoe we voortaan met dit soort zaken moeten omgaan. Ik vind zelf dat je aan de ene kant de atleet moet beschermen en aan de andere kant moet het onderzoek transparant zijn.''

De ISU werkt dit olympische seizoen met nieuwe dopingregels. Bij het bloedonderzoek is niet langer de hematocrietwaarde de norm, maar het hemoglobinegehalte. Voortschrijdend inzicht heeft ertoe geleid dat de schaatsunie met de skifederatie de eerste bond is die op deze wijze het gebruik van EPO probeert te bestrijden. De ISU heeft zelfs een voorsprong genomen op de internationale wielerunie UCI, die nog de hematocrietwaarde als ijkpunt hanteert.

De ISU gaat voor in de strijd tegen EPO doordat de testen worden uitgevoerd door nieuw apparatuur, de Bayer Advia 120. Deze moet zich binnen een straal van 150 kilometer van de ijsbaan of een andere testlocatie bevinden. De Advia 120 staat in een gecertificeerd laboratorium of ziekenhuis. De bloedmachine meet naast een reeks van gegevens ook hemoglobine en berekent hematocriet. Ze kan aanwijzingen geven van EPO-gebruik, maar ook zuurstofdragers en maskeringmiddelen in het bloed. Meestal wordt op de ijsbaan bij de rijders bloed afgenomen, waarna ze in een doos naar een laboratorium vervoerd en daar onderzocht.

De bloedcontrole van de ISU is niet meer dan een screening. De reglementen van de schaatsunie voorzien namelijk nog niet in maatregelen tegen de resultaten van bloedtesten, wel van urineonderzoek. Kuipers: ,,De regelgeving loopt nog achter bij de nieuwste ontwikkelingen. Dat heeft ook te maken met de regels van het Internationaal Olympisch Comité. De methode van bloedcontroles moet eerst grondig worden uitgetest. Binnen een paar jaar verwacht ik dat deze aanpak in de dopingreglementen wordt opgenomen.''

Tot dat moment kunnen schaatsers die EPO gebruiken met enige creativiteit door de mazen van het net glippen. Het middel dat verhoogde aanmaak van rode bloedcellen veroorzaakt is na vier, vijf dagen niet meer in het lichaam terug te vinden. Het urineonderzoek dat als bewijsmiddel dient is dan negatief. Sporen van EPO zijn wel langere tijd in bloed aan te tonen.