Rooskleurige rookwolken

Het beeld van Noord-Amerikaanse indianen wordt nog steeds gedomineerd door het romantische beeld van een van hun talrijke culturen: de bizonjagende ruitervolken van de prairie, ironisch genoeg een creatie van langdurige interactie met blanke kolonisten. De honderden indiaanse bevolkingsgroepen waren onderling even verschillend als de Europese in middeleeuws Europa, van stedelijke landbouwers tot vissers en nomaden. Maar zelfs in het met hun zaak sympathiserende Indianen van Noord-Amerika, een onderhoudende en overvloedig geïllustreerde populaire geschiedenis, nemen toch weer de prairie-indianen en hun oorlogen met het federale leger een onevenredig groot aantal bladzijden in beslag, vergeleken met bijvoorbeeld het minstens zo tragische lot van de Californische indianen. De geschiedenis is nu eenmaal mede geschreven door de mythe-fabriek, van Buffalo Bill tot John Wayne.

Het oorspronkelijk Amerikaanse Indianen van Noord-Amerika is politiek-correct tot op het bot, maar door de bank genomen is dat geen bezwaar. Hier en daar wordt een loopje genomen met de vastgestelde feiten, zoals in de datering van de vroegste menselijke bewoning van Noord-Amerika, een onderwerp van felle politieke en wetenschappelijke controverse. Het boek stelt plompverloren dat de voorouders van de indianen zich tussen 98.000 en 28.000 voor Christus over het continent verspreidden, terwijl het bewijs voor de vroegste bewoning van Noord-Amerika niet ouder is dan zo'n 12.000 jaar. Waar de eerste Amerikanen vandaan kwamen, wordt in het midden gelaten met de opmerking dat `vele indianen de wetenschappelijke theorie in twijfel trekken dat hun verre voorouders via de Straat Bering uit Azië zouden komen'. Dat zou hen immers degraderen tot ook maar immigranten, net als hun blanke onderdrukkers.

Tekenend voor het perspectief van dit verder fraai uitgegeven boek is ook dat de invasie van blanke Europeanen wordt voorgesteld als een eenzijdige beweging van expansie en onderdrukking, zonder veel oog voor de culturele interactie die vanaf het vroegste begin optrad en voor de eigen actieve indiaanse rol in de geschiedenis; ze waren niet louter passieve slachtoffers, zoals moderne Amerikaanse historici niet moe worden te benadrukken.

Het interessantst aan dit boek zijn, behalve de honderden mooie (maar soms wel erg versneden en klein afgedrukte) foto's, de hoofdstukken over het indiaanse leven na het sluiten van de westelijke frontier omstreeks 1890, toen de meeste stammen een armzalig en deprimerend bestaan sleten in reservaten. De latere treurige episoden, met pogingen tot gedwongen integratie, onderdrukking van talen en religies, het verbreken van stam- en familiebanden (de zogeheten `terminatie-politiek'), alles om de indianen te transformeren tot modelburgers, zijn veel minder bekend dan de in films en boeken geromantiseerde gewelddadigheden. Het boek eindigt, zoals het hoort bij dergelijke producties, upbeat, met een indiaanse renaissance vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw. Daar is veel voor te zeggen, al worden hier de problemen van de weeromstuit gebagatteliseerd. Het alcoholisme onder indianen in het Westen, op sommige reservaten een verwoestend sociaal probleem, wordt afgedaan in een fotobijschrift. Maar voor wie door de rozige camouflage kan heenkijken, biedt Indianen van Noord-Amerika een werkzaam tegengif tegen de mythefabriek die rond deze bevolkingsgroep nog steeds op volle toeren draait.

Arlene Hirschfelder: Indianen van Noord-Amerika. Een verhaal in foto`s. The House of Books, 192 blz. ƒ69,50